Er staat niemand achter me in de spiegel

Over wat het doet als een deel van je oorsprong ontbreekt

Ik was zes toen ik hoorde dat ik geadopteerd was. Over dat moment heb ik eerder geschreven. Over hoe zoiets een kinderleven binnenkomt, terwijl je eigenlijk nog helemaal niet kunt overzien wat die informatie betekent. Want wat weet je op je zesde nu werkelijk van dingen als afkomst.

Je hoort dat de mensen die je papa en mama noemt niet je biologische ouders zijn. Je begrijpt misschien de woorden, maar nog lang niet alles wat eraan vastzit. Het waren woorden die ik op een bepaalde manier wel kon voelen, maar waarvan ik de impact op dat moment onmogelijk kon begrijpen. En al helemaal niet dat het iets zou worden wat mijn hele leven als een soort kogel aan een ketting om mijn enkel zou blijven hangen.

Dat besef komt pas later, en daarna nóg een keer en nog een keer. En tot op de dag van vandaag gebeurt het nog steeds. Iedere keer op verschillende momenten, in verschillende situaties. Misschien is dat wel iets wat moeilijk uit te leggen is aan iemand die altijd heeft geweten waar hij vandaan komt.

Weten dat je geadopteerd bent is niet één ontdekking die je verwerkt en vervolgens achter je laat.
Er komt geen dag waarop je kunt zeggen: zo, nu ben ik daar klaar mee.

Want wat ontbreekt, is niet één gebeurtenis uit het verleden. Er ontbreekt een groot stuk van je begin.
Het gekke is dat naarmate je ouder wordt dat stuk alleen maar groter wordt, maar nooit slinkt.
En hoe goed je ook zoekt, je vindt het nergens terug.

En dat neem je mee, iedere dag. Niet dat je er de hele dag aan denkt maar het kan zomaar als een duveltje uit een doosje weer opduiken ergens.

Dingen waar andere mensen nauwelijks over nadenken

Voor de meeste mensen is hun afkomst gelukkig zo vanzelfsprekend dat ze nauwelijks merken hoeveel informatie erin zit.

Ze kijken in de spiegel en herkennen hun vader. Of hun moeder, ze hebben dezelfde handen als oma. Of een dochter heeft hetzelfde loopje als haar nichtje.

Wie kent het niet? Zo’n gesprek op een verjaardag: kind, wat lijk jij op je moeder. Of je oma. Of de buurman, als je pech hebt en je moeder wat uit te leggen heeft. 😂
Of een kleinkind is net zo driftig als opa wanneer hij boos wordt.
Het zijn van die zinnen die achteloos aan een keukentafel worden uitgesproken.

“Dat heeft ze van jou.”

“Dat is echt een Van Dinges-trekje.”

“Kijk nou, precies haar oma.”

Als je je biologische familie niet kent, bestaan dat soort vanzelfsprekendheden niet.

Je kijkt in de spiegel en ziet jezelf. Maar er staat niemand achter je. Je kunt je letterlijk aan niemand ‘spiegelen’.

Waar komen mijn ogen vandaan? Mijn neus? Mijn haar? Waarom reageer ik op bepaalde dingen zoals ik reageer?
Is het karakter, opvoeding of is het een familietrekje? Of misschien wel een combinatie van alles?

Geen idee.

En natuurlijk kun je prima leven zonder te weten van wie je je neus hebt, kan je prima een driftkikker zijn zonder dat het nodig is om te weten dat je tante vroeger ook het servies tegen de muren gooide als ze boos was.
Maar het zijn al die kleine dingen bij elkaar waardoor je je soms realiseert dat andere mensen een vanzelfsprekende lijn naar hun verleden hebben die jij niet hebt.

“Komt dit in de familie voor?”

En dan zijn er de minder gezellige varianten. Hoe vaak ik die vraag in mijn leven niet heb gehoord, en het is niet dat ik het niet antwoord. Het is iedere keer weer dat verhaal wat je uit moet leggen.

Je zit bij een arts en vroeg of laat komt altijd die vraag: “Komt dit in de familie voor?”
Hart- en vaatziekten, kanker, darmproblemen, diabetes, longproblemen? Noem maar op.

Ik pleit ervoor om in een dokterspraktijk of in een ziekenhuis een formuliertje te leggen wat ingevuld kan worden en aan je dossier kan worden toegevoegd: patiënt is geadopteerd en beschikt niet over medische informatie met betrekking tot evt in de familie voorkomende ziektebeelden.
Is het dan zó erg om het te moeten vertellen? Nee dat is het niet maar blijft toch altijd even een ongemakkelijk moment. Geen drama, maar het is net als wanneer je ergens een grote blauwe plek hebt gehad. Op een bepaald moment zie je die niet meer, maar de plek blijft gevoelig als je er op drukt. Alleen dat is dan niet gedurende je hele leven.

Dus volgt mijn standaard antwoord weer : Ik weet het niet.

Niet omdat je niet hebt opgelet, niet omdat je familie nooit ergens over praat. Maar omdat je het werkelijk niet weet.

Toen ik zelf kinderen kreeg, kwam die vraag in een andere vorm terug.

Op het consultatiebureau, bij een kinderarts. Als er iets met één van de kinderen net even anders liep dan verwacht.

“Komt dit in de familie voor?”

“Heeft iemand anders in de familie dit?”

“Zijn er erfelijke aandoeningen bekend?”

En opnieuw:

ik weet het niet. Ik kan alleen spreken voor wat betreft mezelf, niet voor opa, oma en de hele familie.

Dus informatie geven van mijn kant houdt al snel op. De dokter hoeft niet bang te zijn dat hij te horen krijgt dat de neef van mijn moeder wintertenen had of dat opa piepte als oude kerkdeur bij het ademen omdat hij astma had.

En hoe luchtig ik dit verhaal ook probeer te houden: het is een vreemd soort machteloosheid, omdat je juist als moeder degene wilt zijn die informatie kan geven wanneer het over je kind gaat.
Maar sommige antwoorden héb je simpelweg niet. Niet voor jezelf. En dus ook niet voor hen.

Erbij horen is soms ingewikkelder dan het klinkt

Adoptie gaat niet alleen over de vraag wie je biologische ouders zijn. Het gaat ook over ergens bij horen.

Als kind neem je aan dat het gezin waarin je leeft jouw gezin is. Natuurlijk doe je dat. Je opa en oma zijn je opa en oma, je familie is je familie. Totdat er soms iets gebeurt waardoor je ineens merkt dat bloedverwantschap voor anderen misschien toch meer betekent dan je dacht. “Blood is thicker than water ” wordt altijd gezegd.

Ik heb ervaren dat, toen mijn adoptiefvader na zijn hertrouwen biologische kinderen kreeg nadat hij was hertrouwd, ik zo ver naar de achtergrond was verdwenen dat hij me na 3 jaar letterlijk niet meer herkende toen ik hem tegen kwam. Dat zij ieder jaar op vakantie gingen als gezin maar ik nooit mee mocht. Ondanks dat ik gewoon weekends bij hen logeerde.

Ik heb ervaren hoe het is wanneer grootouders bij wie jij jarenlang het kleinkind was, jaren later een biologisch kleinkind krijgen en je ineens merkt dat er verschil wordt gemaakt. Hoe ik gruwelijk verwend werd als enig kleinkind, tot er 10 jaar later een biologisch kleinkind werd geboren. Ik was op slag totaal niet meer belangrijk. Ik werd niet alleen niet meer verwend, wat op zich helemaal niet zo erg was, maar er werd niet meer naar mij omgekeken. Alle liefde en aandacht gingen naar het andere kleinkind vanaf dat moment.

Er werd niet hardop over gesproken, er werd gewoon niet over gesproken. Maar een kind merkt veel. Ook als het kind inmiddels allang volwassen is en opa is overleden. Je krijgt een rouwkaart thuis gestuurd met alle namen van de kinderen en alle kleinkinderen, behalve die van jou. Jij staat niet in dat rijtje. En dan raakt zoiets aan een plek die er al zat.

Want wanneer je biologische ouders je niet hebben grootgebracht en vervolgens ook binnen je adoptiefamilie ervaart dat een biologisch kind kennelijk toch een andere positie kan innemen, ontstaat er een vraag die veel groter is dan die ene situatie: hoe vanzelfsprekend hoor ik eigenlijk ergens bij?

Ik denk dat mensen die hun hele leven vanzelfsprekend onderdeel zijn geweest van hun biologische familie soms niet beseffen hoeveel zekerheid er in dat woord vanzelfsprekend zit.

Je hoeft er niets voor te doen.
Je bent iemands dochter omdat je zijn dochter bent.
Je bent iemands kleinkind omdat je zijn kleinkind bent.
Je hoeft je plek niet te verdienen.
Je hoeft niet bang te zijn dat er straks iemand komt die biologisch echter is dan jij.

Tenminste, zo zou het moeten zijn. Maar ik ben me er terdege van bewust dat ook dat in alle gevallen niet altijd zo is.

Zoeken naar je oorsprong houdt niet op

Misschien denken mensen ook dat een zoektocht naar biologische afkomst een duidelijk begin en einde heeft.
Je weet niet wie je ouders zijn. je gaat zoeken. Je vindt namen uit een ver verleden. Je zoekt op websites in archieven. En dan ben je klaar.
Maar zo werkt het voor mij niet. Want de namen zijn leuk maar vertellen mij niets over wie die mensen waren. Je zoekt niet alleen naar mensen: Je zoekt naar ontbrekende stukken waarmee je jezelf probeerde te begrijpen.

Een naam roept een volgende vraag op. Wie was die persoon? Hoe leefde hij/zij? Hoe was zij als jonge vrouw? Op wie lijk ik? Welke eigenschappen herken ik? Je zoekt naar vaste bodem onder je voeten, achtergrond.
Je zoekt naar spiegels waarin je jezelf terugziet.

Waarom werden bepaalde beslissingen genomen?

Wat gebeurde er vóór mijn geboorte?

Wat gebeurde er daarna?

En als je een antwoord vindt, ontstaan er soms drie nieuwe vragen.

Er is helaas geen formulier waarop uiteindelijk alle vakjes groen worden en erboven verschijnt: Oorsprong compleet.
Was het maar zo simpel. Je kunt feiten vinden, aktes, namen, data.
Familieverbanden, misschien foto’s. Maar informatie is niet hetzelfde als geschiedenis hebben.
Je krijgt de jaren waarin je niet wist wie je was of waar je vandaan kwam er niet mee terug.
Je krijgt ook geen gezamenlijke herinneringen voor terug.

En soms blijken antwoorden bovendien helemaal niet geruststellend. Sommige antwoorden maken het verhaal ingewikkelder in plaats van eenvoudiger.

Wat doet dat met wie je wordt?

Dit vind ik misschien het moeilijkste stuk om onder woorden te brengen. Want ik wil niet van iedere karaktereigenschap in mijn volwassen leven zeggen: dat komt doordat ik geadopteerd ben.

Zo simpel zit een mens niet in elkaar. En daarmee zou ik mezelf tekort doen. Ik heb wel een eigen persoonlijkheid en ben niet alleen ‘de neus van tante Corry en de piepende astma ademhaling van opa Martin’

Er zijn duizenden dingen die bepalen wie je wordt. Aard. Opvoeding. Ervaringen. Keuzes. Mensen die je tegenkomt in je leven, dingen die je overkomen. Maar ik zou inmiddels ook niet meer eerlijk zijn als ik zou zeggen dat het ontbreken van mijn oorsprong geen invloed heeft gehad.

Ik denk dat het heeft meegedaan in hoe ik naar relaties ben gaan kijken, onbewust

Hoe makkelijk ik iemand dichtbij laat komen, of juist niet.

Hoe vanzelfsprekend ik ervan uitga dat mensen blijven, of juist niet.

Hoe sterk ik mezelf heb aangeleerd dat ik uiteindelijk ook zonder iemand verder moet kunnen.
Ik hecht me niet gemakkelijk aan mensen. Ik begrijp dat het misschien harder klinkt dan dat ik het bedoel.

Ik kan gelukkig wel van mensen houden.
Ik kan betrokken zijn.
Ik kan loyaal zijn.
Ik kan ontzettend veel voor iemand overhebben.

Maar werkelijk dat diepe gevoel van: jij hoort bij mij en ik bij jou, dat ken ik maar bij heel weinig mensen.
Alleen bij mijn kinderen is dat 100%. Ik noem ze altijd mijn lifeline, ik heb namelijk geen boei waar ik me aan vast kan houden. Misschien juist daarom zo sterk.

Ik weet niet precies hoeveel daarvan terug te voeren is op adoptie en hoeveel op alles wat daarna in mijn leven is gebeurd. Ik hoef ook geen psychologische diagnose. Maar ik herken wel een patroon.
Als je heel jong ontdekt dat de meest fundamentele verbinding waarmee een mens begint niet vanzelfsprekend bleek te zijn, doet dat iets met het idee dat verbinding vanzelfsprekend is.

Misschien niet bij ieder geadopteerd kind. Dus ik spreek alleen voor mezelf.

En dan krijg je zelf kinderen

Daarmee kwam er nog iets bij wat ik vroeger niet kon voorzien. Mijn afkomst hield niet bij mij op. Mijn kinderen dragen ook iets van mijn onbekende geschiedenis, zo ook mijn kleinkinderen. Ik kan proberen zoveel mogelijk terug te vinden. Maar ik kan niet aan mijn kinderen doorgeven wat ik zelf nooit heb gekregen.
Met mijn eigen ontbrekende stukken heb ik leren leven.
Maar het ‘gat’ in mij wordt via mij doorgegeven aan de volgende generatie.

Als later aan hen wordt gevraagd: “Komt dit aan je moeders kant in de familie voor?” dan loopt ook hun antwoord op een bepaald punt vast. En als mijn kleinkinderen ooit willen weten waar een eigenschap vandaan komt, kunnen ook zij via mij uiteindelijk bij een vraagteken terechtkomen.

Daar heb ik moeite mee. Niet omdat ik denk dat ik hun iets bewust onthoud. Maar juist omdat ik het ze zo graag zou willen kunnen geven.
Een complete lijn. Namen, verhalen, geschiedenis, foto’s. Mensen op wie ze lijken, een verleden waar ze desgewenst achterom naar kunnen kijken.

Vanaf mij kan ik verhalen bewaren. Ik kan vertellen wie hun moeder was als kind. Wie hun oma is.
Wat wij samen hebben meegemaakt.
Ik kan foto’s bewaren en dingen opschrijven.

Misschien is dat ook een van de redenen waarom schrijven voor mij belangrijk is geworden. Want wat vanaf mij verdergaat, hoeft niet te verdwijnen. Maar vóór mij kan ik niet alsnog creëren wat er niet is.

Een ontbrekend eerste hoofdstuk

Misschien is dat uiteindelijk de beste vergelijking. Mijn leven heeft een eerste hoofdstuk dat voor een deel ontbreekt. Er is een stukje inleiding, een klein stukje en dan ontbreken er een aantal sleutelaanwijzingen van het mysterie

Niet mijn geboorte zelf. Die heeft plaatsgevonden. Het bewijs zit hier te typen achter het toetsenbord.

Er waren mensen, daar ga ik zomaar van uit.

Er was een geschiedenis, stukjes hier en daar opgepikt van die geschiedenis. Maar geen complete hoofdstukken en die stukjes informatie leidde altijd tot alleen maar meer vragen. En de antwoorden daarop zal ik nooit krijgen.

Dat betekent niet dat de hoofdstukken daarna minder werkelijk zijn. Want Ik heb geleefd en gelukkig ben ik er nog steeds. Ik heb vier geweldige kinderen gekregen. Ik hou van ze met heel mijn hart.
Ik heb fouten gemaakt, dingen opgebouwd en weer afgebroken. Gelachen en gehuild. Ik ben mensen verloren en ik heb weer nieuwe mensen ontmoet.

Een heel leven ontstaat ook zonder compleet voorwoord. Maar soms kom je tijdens het lezen van je eigen verhaal iets tegen waarvan je denkt: daarvoor zou ik eigenlijk terug moeten naar hoofdstuk één. En dan blijkt die bladzijde er niet te zijn. Misschien is dat waarom de zoektocht nooit helemaal stopt.

Niet omdat ik denk dat ergens nog één magisch antwoord verborgen ligt waarna alles op zijn plaats valt.
Maar omdat je oorsprong niet alleen gaat over waar je vandaan komt.

Het raakt ook aan de vraag: waarom ben ik wie ik ben?

Die vraag verandert mee met je leven.
Het zesjarige kind stelt hem anders dan de jonge vrouw.
De jonge vrouw anders dan de moeder.
En de moeder anders dan de oma.

Dus nee, er komt waarschijnlijk geen dag waarop ik zeg: zo, nu ben ik klaar met zoeken.

Misschien zoek ik soms jarenlang nauwelijks en duikt de vraag daarna ineens opnieuw op.
Door een oude foto, een medische vraag, een naam. Een familietrekje bij een kleinkind, Of gewoon doordat ik in de spiegel kijk.

Je kunt leren leven met wat je niet weet. Je kunt er een volledig leven omheen bouwen. Je kunt mensen krijgen die onvoorwaardelijk bij je horen en zelf degene worden die verhalen bewaart voor degenen die na jou komen.
Maar daarmee houdt het ontbrekende niet op te ontbreken. En misschien is dat het moeilijkste om uit te leggen aan iemand die zijn eigen begin altijd cadeau heeft gekregen:

je mist niet iedere dag bewust je oorsprong. Maar hij reist wel iedere dag met je mee.


Ontdek meer van Mijn leven in zijpaden

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *