Eindtijd is voor mij elke zondag

Van een jeugd die wachtte op Armageddon naar een einde dat je ontvangt in plaats van vreest

Er is een soort mens dat de wereld leest zoals een arts een röntgenfoto bekijkt: speurend naar het gezwel. Oorlog in het oosten, een nieuw virus, een politicus die niet deugt – zie je wel, het is zover, we leven in de eindtijd. Ik ken dat niet van horen zeggen. Ik ben erin grootgebracht en heb er in mijn jonge jaren met overtuiging naar geleefd.

In het geloof waarin ik opgroeide was de eindtijd niet een dreiging op de achtergrond, maar het belangrijkste gegeven dat er was. Alles wat je deed, deed je met het oog daarop. Eyes on the prize. Het jaar was 1975 – ik was twaalf – en dat zou het jaar worden waarin deze wereld zoals wij die kenden zou eindigen. Armageddon. God zou een streep zetten door alles, en alleen wij – Jehova’s Getuigen – zouden overblijven om de nieuwe aarde te bewonen, het paradijs. Wat ik toen niet wist, is dat diezelfde belofte al eerder met andere jaartallen was gedaan en telkens niet was uitgekomen. Een systeem dat op een naderend einde draait, heeft er weinig belang bij zijn eigen mislukte voorspellingen te bewaren.

Maar er was iets wat zelfs een kind van twaalf al voelde wringen. In diezelfde Bijbel stond dat niemand dag noch uur weet van de wederkomst. En hier zat men wél een jaartal in te vullen. Ik had er nog geen woorden voor, en zeker geen macht tegenover, maar ik voelde de contradictie.

Pas veel later begreep ik waar zo’n eindtijd-fixatie eigenlijk voor dient. Wie voortdurend met het einde bezig is, vergeet te leven. Vergeet te genieten van wat er elke dag nog mooi is, want dat mooie is toch tijdelijk, bijzaak, straks maakt het plaats voor iets beters. En zelfs de mooie dingen in deze wereld verbleken uiteraard bij datgene wat beloofd is, dus waarom zou je er moeite voor doen om ze te zien, of te vinden? Het heden wordt gereduceerd tot een wachtkamer. Dat “vergeten te leven” is bij mij geen abstractie. Ik weet het nog als gisteren: waarom zou je een school- of vakopleiding afmaken, iets opbouwen voor over twintig jaar, als er over twintig jaar geen wereld meer is? Een toekomst plannen was bijna onbehoorlijk – je richtte je energie op het einde, niet op een leven dat er toch niet zou komen. En je spaargeld kon je maar beter nu al overdragen aan het Wachttoren-genootschap – dan konden zíj er tenminste goede dingen mee doen, want in het paradijs zou je er toch niets meer aan hebben. Draag je nalatenschap over – daar bestaat zelfs voorlichtingsmateriaal voor. Het naderende einde blijkt zo, heel praktisch, ook een manier om de kas te vullen – en vooral de broekzakken.

En de brandstof daarvoor is angst – of, wat mij betreft nog verontrustender, een soort valse euforie. Want hoe erger de wereld eraan toe is, des te sneller breekt het einde aan. Zo wordt ellende goed nieuws. Elke ramp een aftelmoment. Je gaat het verval van de wereld toejuichen omdat het je prijs dichterbij brengt. It just doesn’t sit right with me.

Je ziet die beweging niet alleen bij Jehovah’s Getuigen. Ze zit ook in veel evangelische stromingen van nu. Als je Jezus maar in je hart hebt aangenomen, dan zit de rest wel goed. Dan kun je gaan zitten wachten tot Hij terugkomt. Het geloof wordt een gedane zaak in plaats van een manier van leven. Tegen die achtergrond ontdekte ik een traditie die het precies andersom doet, en ik moet bekennen dat het me raakt, op een goede manier.

Om te begrijpen wat, moet je weten wat eschatologie is: de leer over de laatste dingen. Het woord komt van het Griekse *eschata*. Dood, oordeel, opstanding, wederkomst, het Koninkrijk. Stel je een liniaal voor die van links naar rechts loopt – schepping links, het einde helemaal rechts.

Want ik geloof wél in een einde. Alles komt ten einde, behalve God; die was, is en zal altijd zijn. Maar in het geloof van mijn jeugd was álles naar die rechterkant geschoven: de betekenis lag in de toekomst, en het heden ontleende zijn waarde uitsluitend aan dat komende moment.

De Grieks-orthodoxe kerk pakt die liniaal en buigt het rechteruiteinde terug naar het heden. Om te beginnen relativeert dat alles: we leven al bijna tweeduizend jaar in de eindtijd. Die laatste dagen begonnen toen Christus mens werd – niet in 1914, 1918 of 1925, en ook niet vanavond in het nieuws. Elke generatie sinds Pinksteren staat erin. Belangrijker: het einde is niet alleen een punt ver weg. Het reikt nú al naar binnen. Already but not yet, noemen ze dat – het is al begonnen, ook al is het nog niet voltooid. Ik vind het prachtig en het resoneert in mijn hart.

Het moment waarop dat gebeurt is de liturgie, niet symbolisch maar letterlijk bedoeld. De orthodoxe dienst begint niet met een groet maar met de woorden: gezegend is het Koninkrijk. Je stapt er meteen in. De ruimte zelf is erop ingericht – de iconen, de koepel, de wierook, de gezangen. Geen decor, maar een stukje hemel dat op aarde is neergezet, een ruimte die zich gedraagt alsof de tijd al voltooid is. De heiligen op de wanden zijn geen portretten van doden. Ze vieren het feest mee.

Het scherpst wordt het in één zin uit het eucharistisch gebed. De priester dankt God en somt op wat hij zich “herinnert”: het kruis, het graf, de opstanding, de hemelvaart – en dan, in datzelfde rijtje, de tweede en glorierijke wederkomst. Een gebeurtenis die volgens elke gewone tijdrekening nog moet komen, staat hier tussen de herinneringen. Ze wordt herdacht alsof ze al is gebeurd. Het is de herinnering aan de toekomst: in de liturgie stap je even uit de gewone tijd en ga je staan op het punt waar het einde al werkelijkheid is.

Vandaar dat de communie geen herdenking is van iets uit een ver verleden en ook geen wachten op iets in een verre toekomst, maar een voorproefje. Je proeft alvast een hap van de maaltijd die aan het einde der tijden wordt geserveerd. Niet als een teken van vroomheid, maar als feit – hier en nu.

Zet dat naast het meisje van twaalf dat wachtte op 1975. Zij was geleerd om naar de horizon te turen en uit de ellende af te lezen hoe laat het was – uiteraard met alle bijbehorende doembeelden. De orthodoxe christen kijkt haar aan en vraagt: waarom focus je daarop? Het einde staat er al, elke zondag op de tafel vooraan in de kerk. Je hoeft er niet naar te zoeken tussen de rampen, catastrofes en crisissen. Je knielt erbij neer en ontvangt het. Het leven kan zo simpel en zo mooi zijn.

Dat is het hele verschil. Voor de een is de eindtijd een aankondiging die je moet ontcijferen, en het leven een wachtkamer. Voor de ander is het iets wat je ontvangt, hier en nu, terwijl je gewoon leeft. De een leest tekenen in de krant. De ander eet brood. Dus ga ik een orthodoxe dienst opzoeken. Niet om erover te lezen – om het mee te maken. Anders blijft het bij woorden.

En na een halve eeuw weet ik wel welke van de twee me geruster maakt.


Ontdek meer van Mijn leven in zijpaden

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *