Steen 2: De wederkomst van Christus

Dit artikel maakt deel uit van mijn onderzoek naar de eindtijd en de wederkomst. [Bekijk het volledige onderzoek →]

In Steen 1 hebben we eerst vastgesteld dat het Nieuwe Testament de ‘laatste dagen’ al op de apostolische tijd toepast.

De vervolgvraag is dan: Kunnen gebeurtenissen in onze tijd aantonen dat wij ons ook in de allerlaatste fase vóór de wederkomst van Christus bevinden?

Dat zijn twee verschillende vragen. De laatste dagen kunnen al in de eerste eeuw zijn begonnen, terwijl er tegelijkertijd gebeurtenissen kunnen zijn waaraan te herkennen is dat de komst van Christus werkelijk dichtbij is.

Om die vraag steen voor steen te beantwoorden, begin ik bij wat Jezus hier zelf over zei. Daarom begin ik niet bij de gebeurtenissen die wij vandaag om ons heen zien.

Ik begin bij de tekst.

De aanleiding

Mattheüs 24 begint niet met een losstaand gesprek over de toekomst. Aan het einde van Mattheüs 23 heeft Jezus een oordeel over Jeruzalem uitgesproken. Daarna verlaat Hij de tempel. Wanneer Zijn discipelen Hem op de gebouwen van het tempelcomplex wijzen, antwoordt Hij dat daar geen steen op de andere zal blijven. Die concrete uitspraak over de tempel vormt de aanleiding voor de vragen die de discipelen Hem even later op de Olijfberg stellen.

Wat is het teken van Zijn komst en de voleinding van de eeuw?

In Mattheüs 24:3 van de HSV vragen de discipelen: Toen Hij op de Olijfberg zat, gingen de discipelen naar Hem toe toen zij alleen waren, en zeiden: Zeg ons, wanneer zullen deze dingen gebeuren? En wat is het teken van Uw komst en van de voleinding van de wereld?

In het Grieks vinden we hier onder andere:
sēmeion — teken, herkenningsteken of signaal
parousia — komst, aankomst of aanwezigheid
synteleias tou aiōnos — de voleinding van de eeuw / het tijdperk

De HSV vertaalt synteleias tou aiōnos met ‘de voleinding van de wereld’. Het Griekse aiōn kan echter een eeuw, tijdperk of periode aanduiden. Er staat hier niet kosmos, een Grieks woord dat voor ‘wereld’ gebruikt kan worden.

Een weergave die dichter bij de Griekse formulering blijft, is daarom: ‘de voleinding van de eeuw’
of ‘de voleinding van het tijdperk’.

Dat betekent nog niet dat we daarmee al hebben vastgesteld welk tijdperk precies wordt bedoeld of hoe de discipelen de verwoesting van de tempel, de komst van Christus en de voleinding van die eeuw met elkaar verbonden. Dat moet uit Jezus’ antwoord blijken.
Voor onze vraag is vooral belangrijk dat zij Hem naar het teken vragen waaraan Zijn komst en de voleinding van die eeuw kunnen worden herkend.

Eerst een waarschuwing voor misleiding

Opvallend genoeg begint Jezus Zijn antwoord niet met oorlog, aardbevingen of hongersnood.

Hij begint in Mattheüs 24:4 met: Pas op dat niemand u misleidt.

Het Griekse werkwoord is planaō: misleiden, op een dwaalspoor brengen.

In het volgende vers komt hetzelfde woord opnieuw terug.

In Mattheüs 24:5 zegt Jezus: Want velen zullen komen onder Mijn Naam en zeggen: Ik ben de Christus; en zij zullen velen misleiden.

Misleiding staat dus helemaal vooraan in Jezus’ antwoord. Pas daarna komen de gebeurtenissen die tegenwoordig vaak als ‘tekenen van de eindtijd’ worden genoemd.

Oorlogen, maar het einde is er nog niet

In Mattheüs 24:6 zegt Jezus volgens de HSV: U zult horen van oorlogen en geruchten van oorlogen; pas op, word niet verschrikt, want al die dingen moeten gebeuren, maar het is nog niet het einde.

Voor onze vraag is vooral het laatste gedeelte belangrijk.
In het Grieks staat: all’ oupō estin to telos
Letterlijk: maar het einde is nog niet.
Het woord oupō betekent: nog niet.

Dat maakt deze tekst interessant, want oorlogen en berichten over oorlogen worden vaak gebruikt als bewijs dat het einde vlak voor de deur moet staan.
Maar Jezus verbindt aan die gebeurtenissen zelf juist de waarschuwing: raak niet verschrikt — het einde is er nog niet.

Wat bedoel ik met de ‘kritische Griekse tekst’?

Van de oorspronkelijke handschriften van het Nieuwe Testament zijn geen exemplaren bewaard gebleven. Wel beschikken we over duizenden latere handschriften en fragmenten waarin de teksten zijn overgeschreven. Daarbij zijn in de loop van de eeuwen kleine verschillen ontstaan.
Tekstwetenschappers vergelijken deze handschriften om zo goed mogelijk vast te stellen welke lezing waarschijnlijk het dichtst bij de oorspronkelijke tekst staat. Dit vakgebied heet tekstkritiek.

Met de kritische Griekse tekst bedoel ik in deze artikelen de moderne wetenschappelijke editie van het Griekse Nieuwe Testament, zoals de Nestle-Aland 28. Daarbij wordt niet simpelweg één handschrift gevolgd, maar worden verschillende tekstgetuigen met elkaar vergeleken.

De HSV staat voor het Nieuwe Testament voornamelijk in de traditie van de Textus Receptus. Waar die tekst relevant afwijkt van de kritische Griekse tekst, vermeld ik dat. Niet ieder verschil heeft gevolgen voor de betekenis; daarom bespreek ik vooral de varianten die voor het onderwerp van het artikel van belang zijn.

Tekstverschil: De HSV volgt hier de Textus Receptus, waarin panta staat — ‘al die dingen’. Deze lezing komt op deze plaats ook voor in de Byzantijnse teksttraditie. In de kritische Griekse tekst ontbreekt panta. Daar staat korter: ‘want het moet gebeuren’. Voor de strekking van deze passage maakt dat weinig verschil: beide tekstvormen vervolgen met ‘maar het einde is nog niet’.

Volk tegen volk, hongersnood en aardbevingen

In Mattheüs 24:7 lezen we in de HSV: Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen hongersnoden zijn en besmettelijke ziekten en aardbevingen in verscheidene plaatsen.

In het Grieks vinden we onder andere:
ethnos epi ethnos — volk tegen volk
basileia epi basileian — koninkrijk tegen koninkrijk
limoi — hongersnoden
seismoi — aardbevingen

Bij deze woorden levert de vertaling op zichzelf weinig problemen op. Wel vinden we in dit vers een tekstverschil dat voor onze onderzoeksvraag relevant is.

Tekstverschil: De HSV heeft in Mattheüs 24:7 ‘besmettelijke ziekten’ (loimoi). Dit woord staat in de Textus Receptus en de Byzantijnse teksttraditie, maar ontbreekt in de kritische Griekse tekst. Omdat epidemieën tegenwoordig regelmatig als teken van de eindtijd worden genoemd, is dit verschil voor dit onderzoek wel relevant.

Het begin van de weeën

In Mattheüs 24:8 geeft Jezus zelf betekenis aan wat Hij zojuist heeft opgesomd: Maar al die dingen zijn nog maar een begin van de weeën.

In het Grieks staat: panta de tauta archē ōdinōn
Archē betekent begin of aanvang.
Ōdinōn betekent weeën, in de betekenis van barensweeën.
Dat woord archē is voor onze vraag belangrijk.

Jezus noemt de gebeurtenissen uit de voorgaande verzen niet het einde en ook niet de laatste fase van de weeën. Hij noemt ze: het begin van de weeën.

Daarbij moeten we oppassen dat we niet méér uit het beeld van de weeën afleiden dan in de tekst zelf staat. Jezus noemt deze gebeurtenissen ‘het begin van de weeën’, maar zegt in deze verzen niet dat oorlogen, hongersnoden en aardbevingen steeds sneller op elkaar zullen volgen of steeds heviger zullen worden naarmate Zijn komst dichterbij komt.

Wat kunnen we uit deze verzen concluderen?

Als we Mattheüs 24:4–8 op zichzelf lezen, noemt Jezus misleiding, oorlogen, conflicten tussen volken en koninkrijken, hongersnoden en aardbevingen. Maar bij die opsomming zegt Hij ook twee dingen die we niet mogen overslaan: ‘het einde is nog niet’ en: ‘al die dingen zijn nog maar een begin van de weeën’.

Op grond van deze verzen alleen kunnen oorlogen, hongersnoden en aardbevingen daarom moeilijk dienen als bewijs dat de wederkomst van Christus onmiddellijk nabij is.
Jezus noemt deze gebeurtenissen, maar presenteert ze hier niet als bewijs van de onmiddellijke nabijheid van het einde. Integendeel: Hij zegt dat ‘het einde nog niet’ is en noemt ze ‘het begin van de weeën’.

Maar Jezus is nog niet klaar met Zijn antwoord.

Verdrukking, misleiding en volharding

In Mattheüs 24:9-13 vervolgt Jezus Zijn antwoord. De HSV vertaalt deze verzen als volgt:

Mattheüs 24:9 : Dan zullen zij u overleveren aan verdrukking en u doden, en u zult door alle volken gehaat worden omwille van Mijn Naam.

Mattheüs 24:10 : En dan zullen er velen struikelen en zij zullen elkaar overleveren en elkaar haten.

Mattheüs 24:11 : En er zullen veel valse profeten opstaan en die zullen er velen misleiden.

Mattheüs 24:12 : En doordat de wetteloosheid zal toenemen, zal de liefde van velen verkillen.

Mattheüs 24:13: Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.

Dat levert opnieuw een aantal begrippen op die voor onze vraag relevant zijn.
In vers 9 wordt voor verdrukking het Griekse woord thlipsis gebruikt. Het kan druk, benauwdheid of verdrukking betekenen. Dat woord komt later in Mattheüs 24 opnieuw terug, in vers 21, waar Jezus spreekt over een grote verdrukking — thlipsis megalē.
In vers 9 staat alleen thlipsis. Op grond van vers 9 alleen kunnen we daarom nog niet vaststellen dat Jezus hier over precies dezelfde gebeurtenis spreekt als in vers 21.

In vers 10 zegt Jezus dat velen zullen struikelen. Het Griekse werkwoord is skandalizō. Het kan onder meer struikelen, ten val komen of aanstoot nemen betekenen.

In vers 11 verschijnt opnieuw het thema van misleiding. Voor ‘misleiden’ wordt opnieuw een vorm van
planaō gebruikt, hetzelfde werkwoord dat we al in Mattheüs 24:4 en 5 tegenkwamen. Misleiding is daarmee niet alleen de eerste waarschuwing in Jezus’ antwoord. Het keert verderop opnieuw terug.

En dan zal het einde komen

In Mattheüs 24:14 zegt Jezus volgens de HSV: En dit Evangelie van het Koninkrijk zal in heel de wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken; en dan zal het einde komen.

Voor onze onderzoeksvraag is vooral het laatste gedeelte belangrijk: ‘en dan zal het einde komen’.

In het Grieks staat:
kai tote hēxei to telos
tote — dan
hēxei — zal komen
to telos — het einde
Dat levert een opvallend contrast op met Mattheüs 24:6. Daar staat in het Grieks: all’ oupō estin to telos —‘maar het einde is nog niet’.
In vers 6 zegt Jezus bij oorlogen en berichten van oorlogen dus dat het einde nog niet is. In vers 14 gebruikt Hij juist de formulering: ‘en dan zal het einde komen’.

Wat betekent ‘in heel de wereld’?

Jezus zegt in Mattheüs 24:14 dat het Evangelie van het Koninkrijk ‘in heel de wereld’ zal worden gepredikt tot een getuigenis voor ‘alle volken’.

In het Grieks staat:
en holē tē oikoumenē — in heel de bewoonde wereld
pasin tois ethnesin — aan/voor alle volken
Het woord oikoumenē duidt op de bewoonde wereld. Het is niet hetzelfde woord als kosmos, dat eveneens met ‘wereld’ kan worden vertaald. In het Nieuwe Testament kan oikoumenē afhankelijk van de context zowel de bekende bewoonde wereld als de wereld in bredere zin aanduiden.
Het woord ethnē is het meervoud van ethnos en kan volken, naties of heidenvolken betekenen.
Dat levert een belangrijke constatering op. Jezus verbindt het ‘dan’ uit de laatste woorden van vers 14 rechtstreeks met de voorafgaande verkondiging van het Evangelie van het Koninkrijk:

‘in heel de wereld … tot een getuigenis voor alle volken; en dan zal het einde komen.’

Daarmee kunnen we uit deze tekst nog niet automatisch afleiden wat precies onder ‘heel de wereld’ of ‘alle volken’ moet worden verstaan, of wanneer aan die voorwaarde is voldaan. Daarvoor moeten we verder onderzoeken hoe deze woorden in het Nieuwe Testament worden gebruikt.
Maar we kunnen wél vaststellen dat Jezus hier een andere relatie legt dan bij oorlogen, hongersnoden en aardbevingen. Bij die gebeurtenissen zegt Hij: ‘het einde is nog niet’.

Na de verkondiging van het Evangelie aan alle volken zegt Hij: ‘en dan zal het einde komen’.

Wat kunnen we tot hier vaststellen?

Als we Mattheüs 24:4–14 volgen zonder gebeurtenissen uit onze eigen tijd in de tekst te leggen, ontstaat tot nu toe een vrij duidelijk onderscheid. Oorlogen, berichten van oorlogen, hongersnoden en aardbevingen worden door Jezus genoemd, maar Hij zegt daarbij dat ‘het einde nog niet’ is en noemt deze gebeurtenissen ‘het begin van de weeën’.

Daarna spreekt Hij onder meer over verdrukking, misleiding, wetteloosheid, verkoelende liefde en volharding. In vers 14 noemt Hij vervolgens de verkondiging van het Evangelie van het Koninkrijk in heel de bewoonde wereld, tot een getuigenis voor alle volken, waarna Hij zegt: ‘en dan zal het einde komen’.

Dat betekent nog niet dat we daarmee al kunnen vaststellen wanneer het einde komt. We hebben immers nog niet onderzocht hoe Jezus Zijn antwoord vanaf vers 15 vervolgt, en ook nog niet wat precies bedoeld wordt met de verkondiging aan ‘alle volken’.

De vraag voor de volgende steen wordt daarom: welke gebeurtenissen noemt Jezus vanaf
Mattheüs 24:15, en hoe verbindt Hij die met Zijn komst?


Ontdek meer van Mijn leven in zijpaden

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *