Over mediumschap, goede intenties en de vraag waar mijn ervaringen werkelijk vandaan kwamen
Ik heb jarenlang rondgelopen in een wereld die je voor het gemak maar even de spirituele of de New Age wereld kunt noemen. Ik schreef daar hier al eerder over.
Mediums, contact met overledenen, waarzeggerij, helderzien, helderhoren, helder voelen. Engelen, gidsen, entiteiten, demonen. Ik heb er niet alleen over gelezen of anderen over horen vertellen. Ik heb zelf dingen gezien, gehoord en ervaren die voor mij destijds overtuigend bewijs waren dat die wereld bestond.
Ik ontken niet dat ik die dingen heb meegemaakt. Ik weet wat ik heb gezien, gehoord en gevoeld. Het waren mijn ervaringen. Wat veranderd is, is mijn verklaring ervoor.
En daar gaat dit stuk eigenlijk over. Hoe wist ik nou eigenlijk wat ik dacht dat ik wist?
Mijn eerste ervaringen met wat ik toen nog helemaal niet spiritueel kon noemen, had ik als kind. Ik was een jaar of zes, zeven, en ik zag dingen. Wat dat precies was en of dat echt was, dat laat ik bewust in het midden. In mijn herinnering was het echt in ieder geval. Tegelijkertijd is “mam, er zit een monster onder mijn bed” op die leeftijd geen ongewoon fenomeen.
Ik groeide op bij de Jehovah’s Getuigen, en daar bestond over de verklaring van mijn ervaringen weinig twijfel. De geestelijke wereld was reëel, spiritisme was gevaarlijk, en je moest je er verre van houden. Dat was zo ongeveer de boodschap.
Mijn moeder legde soms een Bijbel open in mijn kamertje, en dan hield het op. Waarom, geen idee.
Misschien stelde die Bijbel me gerust omdat ik geloofde dat hij bescherming bood.
Misschien was het verwachting, of suggestie.
Misschien gebeurde er iets anders. Ik was zes of zeven.
Ik ga ruim een halve eeuw later niet doen alsof ik nog precies kan reconstrueren wat daar gebeurde. Eén ding leerde ik wel jong. Er bestond volgens de volwassenen om mij heen een onzichtbare wereld, en daar moest ik vooral van afblijven. Dus ging de deur dicht. Heel lang dicht.
Spiritisme was binnen mijn geloof geen onschuldige hobby en al helemaal geen interessant experiment. Het was verboden terrein. En niet omdat men dacht dat het onzin was. Juist omdat men geloofde dat er echt geestelijke machten achter zaten, werd er zo voor gewaarschuwd.
Ik verliet de Jehovah’s Getuigen toen ik jongvolwassen was, rond mijn twintigste. Maar daarmee verdwijnen de overtuigingen en angsten die jarenlang in je hoofd zijn gestopt natuurlijk niet vanzelf.
Ik weet nog dat ik tijdens de Eerste Golfoorlog, in 1990, zwanger was van mijn jongste zoon en doodsbang was dat Armageddon nu echt zou komen. Ik was toen al een jaar of acht weg bij de Getuigen. Acht jaar uit die directe invloedssfeer, en toch hoefde er maar een oorlog van formaat uit te breken of die oude angst stond meteen weer overeind. Armageddon kwam niet. Maar het zegt wel iets over hoe diep zoiets gaat zitten. Je kunt een geloofssysteem verlaten en er nog jaren op reageren alsof je er middenin staat.
Van spiritisme bleef ik af. Dat bleef een big no no. Tot er iets gebeurde waardoor die deur alsnog openging.
Binnen mijn gezin vond een traumatische gebeurtenis plaats waar een van mijn kinderen bij betrokken was. Er waren vragen rond die situatie die niet beantwoord werden. Hoe, wie, wat, waar. Ik zocht antwoorden via de gewone kanalen, en die kwamen niet. Ook de reguliere instanties konden me op dat moment niet vertellen wat ik zo wanhopig wilde weten. Toen zei een goede vriendin: ik ken een goed medium.
Ik wilde weten wat er gebeurd was. Ik wilde antwoord op vragen die me elke nacht wakker hielden. Op dat moment woog die behoefte aan duidelijkheid zwaarder dan de angst die ik jarenlang rond alles wat met spiritisme te maken had, had meegedragen. Die vrouw kwam bij ons thuis. Ik kende haar toen nog alleen als medium. Ze werd een dierbare vriendin, iemand die jarenlang deel van mijn leven is geweest. Ze is er inmiddels een paar jaar niet meer.
En toen gebeurde er iets wat ik niet kan wegverklaren. Ze vertelde dingen. Geen algemeenheden waarmee je achteraf alle kanten op kunt, geen cold reading. Ze beschreef beelden, een persoon, omstandigheden, een tijdlijn. Later kwam via een formeel onderzoekstraject informatie naar boven die overeenkwam met wat zij me eerder verteld had. Mijn kind wist niets van mijn contact met haar, en van wat zij gezegd had. Dat had ik er bewust volledig buiten gehouden.
Dat is wat er gebeurde. Ik ga dat niet veranderen omdat ik nu anders over mediumschap denk. Maar er is één onderscheid dat ik toen niet maakte en nu wel. Die vriendin vertelde me dingen waarvoor ik geen gewone informatiebron kende. Dat is een constatering. Die informatie kwam dus uit de geestenwereld. Dat was mijn verklaring. Voor mij waren die twee toen vrijwel hetzelfde. Nu niet meer.
Dezelfde vriendin had een spirituele vereniging en nodigde ons uit om eens langs te komen. Vrijblijvend. En ergens daar ging een knop om waarvan ik jarenlang had geleerd dat ik hem juist niet moest aanraken. Het vreemde was dat wat daarna kwam niet helemaal nieuw voelde. Het voelde eerder alsof iets ouds terugkwam.
De dingen die ik als kind had ervaren en jarenlang had weggestopt, kregen ineens een andere naam.
Wat vroeger gevaarlijk en demonisch heette, werd nu gevoeligheid genoemd. Of een gave. Helderzien, helderhoren, helder voelen. Alsof iemand de schakelaar van uit weer op aan had gezet.
En daar zit denk ik de valkuil. Ik maakte nauwelijks onderscheid meer tussen mijn ervaringen en wat ik dacht dat die betekenden.
Kwam een voorspelling uit, dan bevestigde dat mijn gave.
Klopte informatie die ik over iemand leek te ontvangen, dan bevestigde dat de geestelijke, liefdevolle bron.
Zag ik iets wat een ander niet zag, dan bevestigde dat mijn gevoeligheid.
Elke nieuwe ervaring paste in het beeld dat inmiddels was ontstaan, en werd tegelijk nieuw bewijs vóór dat beeld.
Het werd een confirmation bias verhaal.
En op de achtergrond was er altijd die vraag: Wat werd er precies geactiveerd? Een gave of een sterke intuïtie?
Of was er werkelijk ‘iets’ wat me bewust aanstuurde?
Maar wat als het niet was wat het zei dat het was?
Wat als het niet opa, oma, vader of moeder was die vanaf “gene zijde” met me communiceerde, maar iets anders dat zich alleen maar zo voordeed?
Ik moest het antwoord op die vraag op dat moment schuldig blijven, en vertrouwde op ‘mijn bescherming’. Die zou me veilig houden. Ik deed het met de juiste intentie, en dat zou me beschermen.
Tegelijkertijd kregen losse gebeurtenissen in mijn leven door dat spirituele model steeds meer samenhang.
Ik kreeg van wat ik toen “gene zijde” noemde op bijna al mijn vragen antwoord.
Ook mijn levensloop leek ineens beter verklaarbaar. Tijdens reïncarnatiesessies werden gebeurtenissen, relaties en terugkerende patronen uit mijn leven aan vermeende vorige levens gekoppeld. Dat was prettig.
Dingen die daarvoor los en soms onbegrijpelijk waren, kregen een oorzaak, een bedoeling, in elk geval een plek in een groter verhaal.
En voor de vragen waar geen antwoord op kwam, was er óók een verklaring. Sommige dingen mocht je gewoon nog niet weten. Die vielen onder ‘het mysterie’.
Zo stelde ik tijdens wat ik als contact met een overledene ervoer nogal eens een simpele vraag.
Hoe ziet gene zijde er eigenlijk uit?
Daar kreeg ik nooit een antwoord op. En dat vond ik altijd raar, want het is één van de grote vragen die iedereen heeft. Als ik écht contact had met iemand die daar inmiddels was, waarom kon die me dan van alles vertellen, maar juist dat niet? Waarom moest dat zo geheim blijven?
Ik moest voor mezelf een antwoord op die vraag vinden. En dat werd: blijkbaar was het niet de bedoeling dat we dat tijdens ons leven al zouden weten, maar het zou vanzelf wel duidelijk worden zodra we daar waren.
Achteraf vind ik juist dat interessant. Want kwam er een antwoord, dan bevestigde dat mijn beeld. Kwam er geen antwoord, dan paste de door mij bedachte verklaring er ook nog moeiteloos in.
Ik dook er helemaal in. Waarzeggen in allerlei vormen, contact met wat ik dacht dat overleden dierbaren waren. Ik zag ze, hoorde ze, voelde ze.
Ik experimenteerde met alle methoden. Ik stelde vragen, en onverklaarbare antwoorden waren hoorbaar in de witte ruis. Ik kon ze horen en opnemen en weer afspelen. Sceptici zeiden: pareidolie. Het kan, ik geloof dat je soms hoort wat je graag wilt horen.
Ik maakte af en toe gebruik van ouijaborden, een ervaring op zich en voor mij nog steeds de meest ’tastbare’ methode om boodschappen te ontvangen. Je ziet letterlijk de zinnen uitgespeld worden voor je ogen.
Ik was daar toch wel altijd een beetje huiverig voor, maar het was een ‘verslavend’ makkelijke manier van communicatie.
De ervaringen van mensen die na het gebruik van zo’n bord met een hoop ellende bleven zitten, waren bekend, maar ik stelde mezelf gerust met de gedachte dat ik beschermd werd door het licht.
En bij het gebruik ervan heb ik dingen ‘gezien’ die ik niet zelf voor elkaar kon krijgen, al had ik het gewild. Kortom, er waren ‘onverklaarbare’ antwoorden en ervaringen die ik toeschreef aan de voor mij bestaande spirituele wereld.
En ja, ik was ook altijd kritisch. Microbewegingen van de spieren in je vingers, dat was één van de tegenargumenten van sceptici. Ik kende al die tegenargumenten.
Ik ‘zag’ verschijningen. Het waren voor mij mooie, waardevolle ervaringen. Ik kon antwoorden geven op brandende vragen die mensen hadden. Antwoorden die ik nooit had kunnen weten.
De mensen die de vragen stelden zag ik voor het eerst in mijn leven. Ik wist niets van ze. Niet hoe hun leven eruitzag, niet wie ze kenden, niet wie ze in de loop van hun leven hadden verloren.
Het bestaan van een spirituele wereld was voor mij waarheid. Er waren overleden familieleden die aan de andere kant van de sluier, tussen de wereld van de levenden en de doden, probeerden ons te troosten en vooruit te helpen in ons leven.
En toen was er één ervaring die zo angstaanjagend was dat ik een jaar lang ’s nachts niet kon slapen tenzij het licht in de gang aan was. Letterlijk.
Ik hing per direct mijn bezem in de wilgen.
Die ervaring bracht me bij een conclusie die ik tot dan toe op afstand had gehouden.
De spirituele wereld, en de manier waarop ik daarmee bezig was, konden ook heel angstaanjagend en gevaarlijk zijn.
Het was alsof ik een waarschuwing kreeg, alsof er een tipje van de sluier werd opgelicht van waartoe de duisternis in staat is. Ik riep wel altijd heel stoer dat waar licht is, ook duisternis is. Maar de impact van de confrontatie met die duisternis was toch echt serieuzer dan ik tot op dat moment had gedacht.
Het werd een wake up call in realtime.
Het riep nieuwe vragen bij me op. Was dit wel een wereld waar ik me als mens mee bezig moest houden?
Was ik naïef of arrogant geweest, in de gedachte dat ik me daarin zonder consequenties kon mengen?
Dat is het nadeel van kritisch denken. Als je er eenmaal aan begint, moet iedereen eraan geloven. Je eigen overtuigingen ook.
Ik geloof inmiddels niet meer in dat beeld waarin overleden opa’s en oma’s gezellig om ons heen blijven hangen en via een medium boodschappen doorgeven.
Ik heb trouwens nooit begrepen waarom een entiteit tweehonderd jaar in een huis zou blijven hangen waar hij ooit gewoond had. De standaardverklaring was meestal onafgemaakte zaken, maar dat vond ik nooit echt overtuigend. Waarom zou je na je dood twee eeuwen op dezelfde plek blijven rondhangen, terwijl er tegelijk werd verteld dat gene zijde zoveel mooier, lichter en vrediger was? Waarom ga je dan niet verder? Dus ook binnen het beeld dat ik grotendeels had geaccepteerd, bleven er vragen liggen.
Maar dat zit waarschijnlijk gewoon in de aard van het beestje. 😄
Wat in de loop van de tijd veranderde, was mijn verklaring voor wat ik had meegemaakt. De ervaringen zelf zijn daarmee niet verdwenen. Ik weet nog steeds wat ik heb gehoord, gezien en gevoeld. Ik ga mezelf niet wijsmaken dat het nooit gebeurd is, alleen omdat het niet meer soepel in mijn huidige beeld past.
Misschien zat mijn grootste vergissing dan ook niet in de waarneming, maar in de stap erna. Ik ervoer iets wat ik niet kon verklaren, en dacht daardoor dat ik wist wát het was en waar het vandaan kwam.
Dat laatste zie ik nu anders en daar bedoel ik mee: waar ik dacht dat het vandaan kwam, wat de bron was van die ervaringen.
Jarenlang was mijn verklaring dat ik met overledenen communiceerde, dat sommige mensen na hun dood bleven hangen, dat er gidsen waren, dat er een grote geestelijke wereld bestond waarin licht en duisternis met elkaar in strijd waren. En dat het als mens je taak was om het licht te helpen verspreiden, mits je intenties goed waren.
Dat geloof ik nu niet meer. Wat ik nu geloof, baseer ik op wat ik in de Bijbel lees. En daar vind ik geen wereld waarin overleden familieleden beschikbaar blijven om via mediums iets door te geven.
Ik vind er wel een geestelijke werkelijkheid waarin goed en kwaad bestaan, en waarin misleiding nadrukkelijk tot de mogelijkheden hoort.
Daarmee krijgt die oude vraag, die me zelfs in mijn spirituele jaren nooit helemaal losliet, opeens veel meer gewicht. Wat als het niet is wat het zegt dat het is? Toen schoof ik die vraag weg. Nu zie ik daar juist de zwakke plek in mijn redenering. Mijn goede intenties zeiden alleen iets over mij, en helemaal niets over de betrouwbaarheid of de bedoeling van waar ik mee communiceerde.
Er wordt weleens gezegd dat de grootste truc van de duivel is dat hij de mens heeft laten geloven dat hij niet bestaat. Kijk om je heen in de wereld en trek je eigen conclusies.
Voor mij zat er tussen “de duivel bestaat niet” en “dit is demonisch” nog een heel aantrekkelijk tussengebied.
Die spirituele wereld die vooral draait om licht, liefde, gidsen, goede bedoelingen en overleden dierbaren.
Een wereld waarin het kwaad wel bestaat, maar op afstand blijft zolang jij het maar goed bedoelt.
Precies dat was lange tijd mijn beeld.
Ik denk dat ik daar te makkelijk één mogelijkheid buiten beschouwing heb gelaten. Dat misleiding er niet uitziet als misleiding op het moment dat ze zich aandient.
Kwaad dat herkenbaar binnenkomt als kwaad is niet bijzonder overtuigend. Daar trapt niemand in.
De echt ongemakkelijke vraag is of iets zich ook kan voordoen als vertrouwd, liefdevol, behulpzaam, of zelfs als iemand van wie je gehouden hebt.
En daar kom ik uiteindelijk heel ergens anders uit dan waar ik begon. Mijn vraag is niet meer alleen of ik die dingen echt heb meegemaakt. Dát ik ervaringen heb gehad, staat voor mij vast. De vraag is op grond waarvan ik toen bepaalde wie of wat er achter die ervaringen zat. En juist daar denk ik nu dat ik me heb vergist.
Ik sluit af met wat de Bijbel erover zegt, in Jesaja 8:19. “Wanneer zij dan tegen u zeggen: Raadpleeg de geesten van doden, en waarzeggers met hun gelispel en geprevel, zeg dan: Moet een volk zijn God niet raadplegen? Moet men voor de levenden de doden raadplegen?”
Het antwoord op die laatste vraag is voor mij nu:
Nee.
Ontdek meer van Mijn leven in zijpaden
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.