Het Bijbelse antwoord begint niet bij een land of staat, maar bij één familie.
Wanneer er tegenwoordig over Israël wordt gesproken, lopen verschillende begrippen al snel door elkaar. Israël kan verwijzen naar de moderne staat Israël, naar het Joodse volk, naar het Bijbelse volk Israël of naar het land waarover in de Bijbel wordt gesproken. Maar als we willen onderzoeken wie of wat Israël volgens de Bijbel eigenlijk is, moeten we niet in 1948 beginnen. We moeten veel verder terug.
Het verhaal van de twaalf stammen begint namelijk niet bij een land, een regering of zelfs maar bij een volk.
Het begint bij een familie.
Van Abraham naar Israël
De Bijbelse lijn loopt via Abraham naar zijn zoon Izak en vervolgens naar Izaks zoon Jakob.
Dus laten we wat meer kijken naar Jakob en zijn leven voor de context van het verhaal.
Genesis 32 speelt zich af wanneer Jakob na ongeveer twintig jaar bij zijn oom Laban terugkeert naar Kanaän. In Genesis 31 heeft hij Laban verlaten, na jarenlang gedoe over zijn vrouwen, vee en loon.
God heeft Jakob opgedragen terug te keren naar het land van zijn familie.
“En de HEERE zei tegen Jakob: Keer terug naar het land van uw vaderen en naar uw familiekring. Ik zal met u zijn.”
Genesis 31:3, HSV
Maar er was een probleem: zijn broer Ezau. Jakob had jaren eerder zijn broer Ezau bedrogen.
Eerst had hij diens eerstgeboorterecht verkregen en later, met hulp van zijn moeder Rebekka, ook de zegen van Izak ontvangen die Ezau verwachtte te krijgen. Ezau was daar zo woedend over dat hij Jakob wilde doden. Daarom was Jakob destijds gevlucht. Dat verhaal staat vooral in Genesis 25 en 27.
Nu keert Jakob terug naar Kanaän. Zijn broer Ezau bevindt zich op dat moment in Seïr, in het gebied van Edom, en Jakob stuurt boodschappers vooruit om contact met hem te zoeken.
Jakob hoort: Ezau komt met vierhonderd mannen
Jakob stuurt boodschappers vooruit naar Ezau. Die komen terug met de mededeling:
De boden kwamen terug bij Jakob en zeiden: Wij zijn bij uw broer, bij Ezau, aangekomen, en nu komt hij u tegemoet, met vierhonderd man bij zich.
Genesis 32:6, HSV
En Jakob schrikt zich begrijpelijkerwijs een ongeluk. Hij verdeelt zijn mensen, vee en bezittingen over twee kampen, met het idee dat als Ezau het ene kamp aanvalt, het andere misschien kan ontsnappen.
Daarna bidt Jakob tot God. En dat gebed is belangrijk, want hij beroept zich op Gods eerdere belofte:
9 Verder zei Jakob: God van mijn vader Abraham, en God van mijn vader Izak, HEERE, Die tegen mij gezegd heeft: Keer terug naar uw land en uw familiekring, en Ik zal u weldoen 10 ik ben te onbeduidend voor al de blijken van goedertierenheid en al de trouw die U Uw dienaar bewezen hebt. Immers, slechts met mijn staf ben ik de Jordaan hier overgestoken en nu ben ik tot twee kampen uitgegroeid! 11Red mij toch uit de hand van mijn broer, uit de hand van Ezau; want ik ben bevreesd voor hem; anders zal hij komen en mij en de moeders samen met hun kinderen neerslaan! 12 U hebt immers gezegd: Ik zal u zéker weldoen en Ik zal uw nageslacht maken als het zand van de zee, dat vanwege de menigte niet geteld kan worden!
Genesis 32:9-12, HSV
Dus Jakob bevindt zich op dat moment eigenlijk tussen twee dingen: God heeft hem een toekomst en nageslacht beloofd, maar Ezau komt met vierhonderd mannen op hem af.
En dan komt die vreemde nachtelijke gebeurtenis
Jakob laat ’s nachts zijn vrouwen, kinderen en bezittingen de beek Jabbok oversteken en dan blijft hij alleen achter.
“Maar Jakob bleef alleen achter, en een Man worstelde met hem, totdat de dageraad aanbrak.”
Genesis 32: 24 HSV
Ze worstelen de hele nacht. Wanneer de man merkt dat hij niet wint van Jakob raakt hij Jakobs heup aan, waardoor die ontwricht raakt. Maar Jakob weigert hem los te laten:
“Ik laat U niet gaan, tenzij U mij zegent.”
En dan komt de vraag:
“Wat is uw naam?”
Jakob antwoordt:
“Jakob.”
En vervolgens:
“Uw naam zal voortaan niet meer Jakob luiden, maar Israël, want u hebt met God en met mensen gestreden, en hebt overwonnen.”
Genesis 32: 28 HSV
Wie is die “man”?
Daar moeten we voor ons artikel misschien zorgvuldig mee omgaan.
Genesis 32 begint met “een man”, maar Jakob zelf concludeert na afloop:
“Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn leven is gered.”
Genesis 32: 30 HSV
Daarom noemt hij de plaats Pniël/Penuël, dat verband houdt met “aangezicht van God”.
Daarnaast kijkt Hosea 12:4-5 later terug op deze gebeurtenis en spreekt zowel over strijd met God als met een Engel. Dus beter niet simpelweg schrijven:
“God kwam met Jakob worstelen”
Nauwkeuriger is:
Genesis beschrijft de verschijning aanvankelijk als een man, maar identificeert de ontmoeting vervolgens nadrukkelijk met God; Hosea noemt de figuur bovendien een engel.
En vervolgens gebeurt iets heel belangrijks
Jakob loopt na die ontmoeting kreupel verder. Genesis vermeldt nadrukkelijk dat hij door zijn heup mank loopt.
Daar ziet hij Ezau daadwerkelijk aankomen met zijn vierhonderd mannen.
Na al Jakobs angst, berekeningen, cadeaus en verdedigingsplannen gebeurt vervolgens iets totaal anders dan hij vreest:
Maar Ezau snelde hem tegemoet, omarmde hem, viel hem om de hals en kuste hem; en zij huilden.
Genesis 33: 4 HSV
Dus de naam Israël wordt gegeven precies op een overgangsmoment:
achter hem: zijn vlucht, Laban en zijn oude leven
voor hem: terugkeer naar Kanaän en ontmoeting met Ezau
in die nacht: de worsteling
daarna: Jakob gaat verder onder de naam Israël.
De naam Israël wordt in Bethel bevestigd
Genesis 32 is niet het enige moment waarop Jakob de naam Israël krijgt. In Genesis 35 wordt die naam opnieuw bevestigd, en dit keer gebeurt dat in Bethel. Genesis 35:6 vertelt eerst waar Jakob zich bevindt:
“Zo kwam Jakob in Luz, dat in het land Kanaän ligt – het tegenwoordige Bethel – hij en al het volk dat bij hem was.”
Genesis 35:6, HSV
De plaats heet oorspronkelijk Luz. Jakob was hier al veel eerder geweest, toen hij juist op de vlucht was voor zijn broer Ezau. In Genesis 28 krijgt hij daar zijn bekende droom van de ladder die tot in de hemel reikt. Nadat God daar tot hem heeft gesproken, geeft Jakob de plaats een nieuwe naam:
“Hij gaf die plaats de naam Bethel, hoewel de naam van de stad eerst Luz was.”
Genesis 28:19, HSV
De naam Bethel betekent letterlijk huis van God.
Jaren later keert Jakob naar diezelfde plaats terug. Inmiddels heeft hij Laban verlaten, Ezau weer ontmoet en tijdens de nachtelijke worsteling bij de Jabbok de naam Israël gekregen.
In Bethel verschijnt God opnieuw aan hem.
“Uw naam is Jakob, uw naam zal voortaan niet Jakob genoemd worden, maar Israël zal uw naam zijn.”
Genesis 35:10, HSV
De naam Israël wordt daar dus nogmaals expliciet bevestigd.
En onmiddellijk daarna volgen opnieuw beloften over Jakobs toekomst en zijn nageslacht:
“Een volk, ja, een menigte van volken zal uit u ontstaan; koningen zullen uit uw lichaam voortkomen.”
Genesis 35:11, HSV
“Dit land dat Ik Abraham en Izak gegeven heb, zal Ik aan u geven; en aan uw nageslacht na u zal Ik dit land geven.”
Genesis 35:12, HSV
Vervolgens wordt ook het land genoemd dat eerder aan Abraham en Izak was beloofd en dat volgens de tekst eveneens aan Jakob en zijn nageslacht gegeven zal worden.
Daarmee worden in Genesis 35 drie elementen heel direct met elkaar verbonden:
Jakob krijgt de naam Israël → uit hem zal een volk voortkomen → aan zijn nageslacht wordt het land beloofd.
Dat gebeurt bovendien op een plaats die in Jakobs leven al eerder een belangrijke rol speelde.
De eerste keer komt Jakob in Luz aan terwijl hij voor Ezau vlucht. Daar ontvangt hij een belofte van God en noemt hij de plaats Bethel. En jaren later komt hij er opnieuw terug.
Inmiddels heeft hij Ezau weer onder ogen gezien en draagt hij de naam Israël.
Op diezelfde plaats worden zowel zijn nieuwe naam als de beloften over zijn nageslacht en het land opnieuw bevestigd.
Het Bijbelse Bethel wordt tegenwoordig door veel onderzoekers geïdentificeerd met het huidige Beitin, nabij Ramallah op de Westelijke Jordaanoever, al is die identificatie niet volledig onomstreden.
Voor het vervolg van het verhaal is vooral dit van belang: Israël is hier nog steeds in de eerste plaats de naam van Jakob zelf. Pas vanuit hem, en uit zijn twaalf zonen, zal de naam Israël vervolgens steeds meer de aanduiding worden van een familie en uiteindelijk van een volk.
Dat maakt Genesis 35 voor ons onderzoek misschien zelfs belangrijker dan Genesis 32. Want daar staan heel dicht bij elkaar: Jakob → Israël → nageslacht → volk → land.
En daarna, nog in datzelfde hoofdstuk, krijgen we in Genesis 35:22-26 de opsomming van de twaalf zonen van Jakob.
De twaalf zonen van Jakob
Jakob krijgt twaalf zonen bij vier vrouwen.
Bij Lea krijgt hij Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issaschar en Zebulon.
Bij Rachel krijgt hij Jozef en Benjamin.
Bij Bilha, de slavin van Rachel, krijgt hij Dan en Naftali.
Bij Zilpa, de slavin van Lea, krijgt hij Gad en Aser.
Genesis 35:22-26 noemt hen gezamenlijk de twaalf zonen van Jakob:
Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issaschar, Zebulon, Jozef, Benjamin, Dan, Naftali, Gad en Aser.
Dit zijn de oorspronkelijke twaalf zonen waaruit de stammen van Israël voortkomen.
De term twaalf stammen van Israël heeft dus allereerst betrekking op de nakomelingen van deze twaalf mannen, de zonen van Jakob, die Israël wordt genoemd.
Maar vanaf hier wordt het onmiddellijk iets ingewikkelder.
Jozef krijgt er twee
We zitten inmiddels veel later in het verhaal. Jakob woont met zijn familie in Egypte en is oud geworden. Jozef krijgt bericht dat zijn vader ziek is en gaat naar hem toe met zijn twee zonen, Manasse en Efraïm.
Voordat Jakob iets met die twee jongens doet, grijpt hij opvallend genoeg opnieuw terug op Luz, de plaats die we inmiddels kennen als Bethel. Hij herinnert Jozef eraan dat God daar aan hem verschenen is en hem de belofte heeft gedaan dat hij vruchtbaar en talrijk zou worden en dat het land aan zijn nageslacht gegeven zou worden. Genesis 48:3-4 legt die verbinding expliciet.
Daarna zei Jakob tegen Jozef: God, de Almachtige, is aan mij verschenen in Luz, in het land Kanaän, en Hij heeft mij gezegend. Hij heeft tegen mij gezegd: Zie, Ik zal u vruchtbaar maken, u talrijk maken, en u tot een menigte van volken maken; en Ik zal dit land aan uw nageslacht na u geven als eeuwig bezit.
Genesis 48:3-4 HSV
En dán komt Genesis 48:5, de cruciale tekst voor ons:
“Nu dan, jouw twee zonen, die bij jou in het land Egypte geboren zijn voordat ik bij je in Egypte kwam, zijn van mij; Efraïm en Manasse zijn van mij, net als Ruben en Simeon.”
Genesis 48:5, HSV
Dus in Genesis 48 zegt Jakob tegen Jozef:
Efraïm en Manasse zijn van mij, net als Ruben en Simeon.
Dat is geen terloopse opmerking. Jakob plaatst Efraïm en Manasse naast zijn eigen zonen Ruben en Simeon. Vers 6 maakt bovendien duidelijk dat dit gevolgen heeft voor hun plaats in de erfenis: eventuele latere zonen van Jozef zullen binnen het erfdeel van Efraïm en Manasse worden gerekend.
Maar je nakomelingen die je na hen zult verwekken, zullen van jou zijn. Bij het ontvangen van hun erfelijk bezit zullen zij onder de naam van hun broers gerekend worden.
Genesis 48:6 HSV
Het eerstgeboorterecht van Ruben
Dat dubbele aandeel blijkt later samen te hangen met het eerstgeboorterecht. Ruben is Jakobs oudste zoon en daarmee de natuurlijke eerstgeborene. Maar 1 Kronieken 5:1-2 legt expliciet uit dat hij dat eerstgeboorterecht verloor omdat hij “het bed van zijn vader had geschonden”.
De tekst zegt vervolgens dat het eerstgeboorterecht werd gegeven aan de zonen van Jozef. Tegelijk wordt Juda apart genoemd: Juda werd machtig onder zijn broers en uit hem kwam een vorst voort, maar het eerstgeboorterecht bleef bij Jozef.
Daarmee ontstaan dus drie verschillende lijnen:
Ruben blijft de biologische eerstgeborene.
Jozef ontvangt via Efraïm en Manasse het eerstgeboorterecht en daarmee het dubbele erfdeel.
Juda krijgt de bijzondere lijn van leiderschap en koningschap.
Opvallend is dat Jakob daarbij Efraïm, de jongste zoon, vóór zijn oudere broer Manasse plaatst. Hij doet dat bewust en zegt dat Manasse weliswaar een groot volk zal worden, maar dat Efraïm groter zal worden. Dat lijkt hier misschien een detail, maar later krijgt Efraïm een zeer belangrijke plaats binnen Israël en wordt de naam Efraïm zelfs gebruikt voor het noordelijke koninkrijk.
Die drie lijnen moeten we uit elkaar houden.
Maar hoeveel stammen hebben we nu eigenlijk?
En daar verschijnt het eerste kleine administratieve probleem.
Jakob heeft twaalf zonen. Maar wanneer Efraïm en Manasse ieder als een afzonderlijke stam worden gerekend in plaats van hun vader Jozef, komen we ineens niet op twaalf, maar op dertien namen.
We hebben dan: Ruben, Simeon, Levi, Juda, Dan, Naftali, Gad, Aser, Issaschar, Zebulon, Benjamin, Efraïm en Manasse. Dat zijn er dertien. Toch blijft de Bijbel spreken over twaalf stammen.
Hoe kan dat? Daarvoor moeten we naar Levi kijken.
Levi krijgt een andere plaats binnen Israël
Levi is en blijft één van de zonen van Jakob en daarmee één van de stammen van Israël. Maar wanneer Israël later als volk wordt georganiseerd, krijgt de stam Levi een andere positie dan de overige stammen.
Bij de volkstelling in Numeri 1 worden de mannen van de verschillende stammen geteld die geschikt zijn voor de strijd. Levi wordt daarbij uitdrukkelijk apart gehouden. In Numeri 1:49 krijgt Mozes de opdracht de stam Levi niet samen met de andere Israëlieten te tellen.
Alleen de stam Levi mag u niet meetellen en hun aantal mag u niet onder de Israëlieten opnemen.
Numeri 1:49, HSV
De reden wordt direct daarna gegeven. De Levieten krijgen de verantwoordelijkheid voor de tabernakel, de voorwerpen die daarbij horen en de dienst eromheen. Zij moeten de tabernakel vervoeren, verzorgen en zich eromheen legeren. Dat betekent overigens niet dat iedere Leviet priester is. De priesters komen uit de familie van Aäron binnen de stam Levi; de overige Levieten hebben andere taken rond de tabernakel en later de tempel.
Ook wat betreft het land krijgt Levi een bijzondere positie. De overige stammen zullen een eigen erfdeel in Kanaän ontvangen, maar Levi krijgt geen afzonderlijk stamgebied zoals bijvoorbeeld Juda, Benjamin of Efraïm.
Dat wordt onder andere expliciet gezegd in Deuteronomium 10:8-9 en later opnieuw bij de verdeling van het land in Jozua 13.
Maar Levi krijgt daarmee niet simpelweg “niets”. De Levieten krijgen steden met omliggende weidegronden, verspreid over de gebieden van de andere stammen. Dat wordt geregeld in Numeri 35 en later uitgevoerd in Jozua 21.
De stam Levi blijft dus onderdeel van Israël, maar functioneert bij de verdeling van het land anders dan de andere stammen: Levi is wel een stam, maar geen afzonderlijke territoriale stam.
12 zonen – Jozef + Efraïm + Manasse = 13.
13 – Levi als territoriale stam = 12.
De twaalf stammen zijn dus niet altijd dezelfde twaalf namen
Dat betekent iets wat bij het lezen van de Bijbel gemakkelijk over het hoofd wordt gezien. Wanneer de Bijbel spreekt over de twaalf stammen van Israël, betekent dat niet automatisch dat iedere opsomming exact dezelfde twaalf namen bevat. Welke namen worden genoemd, hangt mede af van de context.
Wanneer het over de twaalf zonen van Jakob gaat, vinden we Jozef en Levi terug. Efraïm en Manasse zijn daar nog de kleinzonen van Jakob. Wanneer het later over de verdeling van het land gaat, verandert de telling. Jozef krijgt via zijn zonen Efraïm en Manasse twee afzonderlijke plaatsen, terwijl Levi geen eigen territoriaal stamgebied krijgt.
Daardoor kan de Bijbel verschillende lijsten van stammen geven en toch blijven spreken over de twaalf stammen van Israël. De aanduiding twaalf stammen is daarmee meer dan alleen een eenvoudige rekensom van twaalf vaste namen. Het is ook een aanduiding van Israël als geheel: het volk dat uit Jakob, die de naam Israël kreeg, is voortgekomen. Dat onderscheid wordt later nog belangrijker, omdat ook in veel latere Bijbelboeken over de twaalf stammen wordt gesproken, terwijl de historische situatie inmiddels volledig veranderd is.
Dat onderscheid moeten we vasthouden, want later verandert de historische situatie ingrijpend. Stammen trekken naar hun eigen gebieden, het koninkrijk wordt uiteindelijk verdeeld en sommige stamnamen krijgen een veel grotere betekenis dan alleen die van één afzonderlijke stam.
Israël en Juda zijn aan het begin niet hetzelfde
Er is nog iets dat we hier meteen moeten vastzetten.
Juda is één van de twaalf zonen van Jakob.
De stam Juda is daarmee oorspronkelijk één stam binnen Israël.
Israël en Juda zijn in deze fase dus niet twee woorden voor hetzelfde volk.
Israël omvat de twaalf stammen.
Juda is één van die stammen. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar voor het verdere onderzoek is het essentieel.
Later zal het koninkrijk uiteenvallen en zullen er tegelijkertijd een koninkrijk Israël en een koninkrijk Juda bestaan. Nog later zullen begrippen als Juda, Judeeër, Jood en Israël in hun gebruik deels gaan overlappen, zonder dat ze daarmee automatisch hetzelfde betekenen.
Als we aan het einde van ons onderzoek willen beoordelen wat er bedoeld wordt wanneer iemand tegenwoordig zegt dat Israël Gods uitverkoren volk is, moeten we daarom eerst precies blijven volgen hoe deze begrippen zich door de Bijbelse geschiedenis heen ontwikkelen.
Van familie naar volk
Bij het begin van het verhaal kunnen we daarom voorlopig een paar dingen vaststellen.
- De twaalf stammen van Israël vinden hun oorsprong in de twaalf zonen van Jakob.
- Jakob zelf krijgt van God de naam Israël.
- Israël is daardoor oorspronkelijk de naam van een persoon en vervolgens van zijn nakomelingen.
- Jozefs twee zonen Efraïm en Manasse krijgen ieder een eigen plaats binnen Israël, waardoor Jozef een dubbel erfdeel krijgt.
- Levi blijft een stam, maar krijgt later vanwege zijn bijzondere religieuze taak geen eigen territoriaal stamgebied.
Daarom kunnen verschillende Bijbelgedeelten verschillende lijsten van stamnamen geven, terwijl er toch steeds gesproken wordt over de twaalf stammen van Israël. En misschien is de belangrijkste constatering tot nu toe deze:
Het Bijbelse Israël begint niet als staat. Het begint als familie.
De volgende stap is daarom ook nog niet de verdeling van het koninkrijk en zeker nog niet de moderne staat Israël. Eerst moeten we volgen wat er met deze familie gebeurt.
Hoe komen de zonen van Jakob in Egypte terecht? Hoe groeit een familie daar uit tot een volk? Wanneer en hoe wordt het verbond tussen God en dit volk gesloten? Wat betekent die uitverkiezing eigenlijk? En hoe worden de stammen uiteindelijk over het land Kanaän verdeeld?
Pas wanneer die basis ligt, kunnen we verder naar de grote breuk tussen Israël en Juda en uiteindelijk naar de vraag wat er met al die stammen is gebeurd.
Ontdek meer van Mijn leven in zijpaden
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.