Over de idealist in mij, de redder die daarin schuilt, en het verschil tussen opgeven en loslaten
Een gemiddelde idealist is vaak iemand die niet alleen kijkt naar hoe de wereld is, maar vooral naar hoe de wereld zou moeten zijn. Dat klinkt mooi en dat ís het vaak ook, maar psychologisch zit daar best veel spanning onder. Idealisten zijn meestal mensen met een sterk innerlijk kompas. Ze voelen vrij snel: dit klopt niet, dit is onrechtvaardig, dit kan beter, hier moet iemand iets aan doen. En vaak denken ze daar dan meteen achteraan: nou ja, dan doe ik het zelf wel. Guilty as charged, zullen we maar zeggen.
Bij veel idealisten zit er een diepe behoefte aan betekenis. Ze willen niet zomaar bestaan, werken, consumeren en weer naar bed. Ze willen dat hun leven ergens toe doet, een verschil maakt in positieve zin. Niet per se groots of wereldberoemd, maar wel wezenlijk. In de idealistische versie loopt het. Niet vanzelf, niets loopt vanzelf, maar in je hoofd heeft het een goede uitkomst.
De idealist ziet wat het kan worden, wat het kan betekenen.
De idealist in je heeft een blauwdruk. En die blauwdruk is altijd mooi.
De idealist heeft vaak een sterk ontwikkeld beeld van “goed” en “fout”. Niet altijd moralistisch bedoeld, maar ze voelen het spanningsveld sneller dan gemiddeld. Waar een ander misschien denkt: jammer, maar zo is het nou eenmaal, denkt de idealist: ja dag, dat is dus precies het probleem en dat ga ik fixen.
Idealisme is een klassiek recept voor prachtige ideeën, maar ook chronische overbelasting.
Dat is het ding met idealisme. Het ziet wat er is, maar ook wat het zou kunnen zijn. En zolang dat verschil je vooruit stuwt, is het een hele krachtige motor. Het probleem begint pas als de werkelijkheid het ideaalbeeld niet meer wil volgen. En eerlijk gezegd: daar ben ik niet goed in.
Ik ben het ‘wat er in mijn kop zit, dat zit niet in je kont’-type. Een combinatie van persoonlijkheid en het directe gevolg van altijd hebben moeten vechten in het leven. Je ontwikkelt een houding van ‘all in’. Vastbijten, vasthouden en nooit opgeven. Want het leven moet meer zijn dan vakanties, drankjes op een terras en op zondag voetbal of een avondje uit. Ontspanning moet ook onderdeel zijn van het leven, de boog kan niet altijd gespannen staan natuurlijk, maar bij de idealist zal het nooit het doel van het leven op zich zijn.
In feite is het zo: de idealist bouwt een brug omdat mensen naar de overkant moeten.
De nihilist vraagt eerst: waarom is de overkant beter?
En de cynicus zit op een bankje te roepen dat de brug toch instort.
Gezellig stel wel bij elkaar.
En toch is dat de diversiteit in mensen: hoe ze in grote lijnen in het leven staan, en natuurlijk alles ertussenin en gecombineerd. En dat is oké. Het is ook niet veroordelend bedoeld. Iedere persoonlijkheid heeft evenveel bestaansrecht. Maar dit stuk gaat over mij en niet over anderen.
En soms heeft deze idealist een clash met de werkelijkheid. Dan botst wat ik in mijn hoofd heb met hoe het werkelijk is. Fun fact: een idealist gaat vaak méér geven wanneer het ideaalbeeld bedreigd wordt, omdat stoppen voelt als: “Dan geef ik toe dat het niet waar was.” En dat is de clash. Als ik naar mezelf kijk en naar de manier waarop ik reageer, dan is dat in mijn leven vooral een patroon geweest van mijn eigen grenzen oprekken ten koste van mezelf.
Waarom ik het doe? Dat is een lang verhaal dat ik je zal besparen, maar het heeft alles te maken met patronen die ik tijdens mijn leven ontwikkeld heb. Hoe ik geleerd heb met conflictsituaties om te gaan en zo veiligheid voor mezelf te creëren.
En hier kom ik mezelf tegen. Mijn hele leven ben ik degene geweest die bleef, die doorging, die het wel deed.
Een idealist kan ongemerkt in een reddersrol terechtkomen. Alles recht proberen te maken wat krom is.
Terwijl krom gewoon soms krom is, ondanks wat ik in mijn hoofd heb.
En dan wordt geven niet alleen iets wat je doet, maar iets waaraan je je eigenwaarde gaat ontlenen.
De reden voor je bestaan.
Dan ontstaat er een gevaarlijke koppeling: “Ik ben nodig, dus ik besta.” Als het ideaalbeeld bedreigd wordt, bijvoorbeeld doordat iemand niet verandert, niet dankbaar is of misbruik van je inspanningen maakt, dan raakt dat niet alleen je beeld in je hoofd, maar ook je gevoel van eigenwaarde. Dus ga je nog meer geven om dat gevoel terug te krijgen: “Zie je wel, ik kan nog steeds helpen. Ik doe er nog steeds toe.” En hoe langer zo’n patroon bestaat en hoe meer je erin geïnvesteerd hebt, hoe moeilijker het wordt om het los te laten.
Dus als mijn ideaalbeeld niet klopt met wat ik zie, dan zoek ik de reden waaróm bij mezelf.
Ik volg mijn patroon: misschien moet IK beter mijn best doen, misschien moet IK mijn benadering aanpassen.
En dan komt dat moment dat ik zelf niets meer heb, er geen stapje meer bij kan, geen argument ook nog maar ergens op slaat, en pas dan kan ik toegeven dat het niet waar was wat in mijn hoofd bestond.
En dan begint er een nieuw proces. Een proces van rouw. Dat klinkt misschien zwaar, maar zo voelt het. Omdat wat ik als idealist in mijn hoofd heb, niet zomaar een hobby is of iets leuks om erbij te doen, maar een deel van mijn identiteit. Ik moet toegeven dat het niet is geworden wat ik ervan had verwacht.
En dat is een afscheid. Een afscheid van een versie van de toekomst die er niet gaat komen.
Dat is het verwarrende eraan. Want de buitenwereld ziet het niet. En toch is er iets gestorven.
Iets wat in mijn hoofd leefde.
En ja: een ander kan in precies dezelfde situatie staan en er iets compleet anders in voelen. Maar wat voor de één licht is, kan voor de ander zwaar zijn. Mijn beleving wordt er niet minder waar door. En dat mag.
Ik schreef laatst nog dat tegen jezelf in zwemmen je uitput. Dat je ervan opbrandt. En nu betrap ik mezelf erop dat “ik geef niet op” precies dát kan zijn.
Tegen mezelf in blijven zwemmen en het dan dapperheid of doorzettingsvermogen noemen.
Dus probeer ik mezelf iets nieuws te leren. Dat opgeven en loslaten niet hetzelfde zijn.
Opgeven is zeggen: het heeft geen zin, ik had er nooit aan moeten beginnen, het is het niet waard. Dat zeg ik niet. Want dat deel van mijn identiteit is het wél waard.
Loslaten is iets anders. Loslaten is zeggen: ik blijf geloven in wat het kan zijn, maar ik weiger om het op deze manier te blijven doen. En dat mag ik willen.
Ik ga je niet vertellen dat ik het al heb opgelost. Dat zou een leugen zijn.
De idealist en de realist in mij zitten nog altijd tegenover elkaar aan tafel, en ze zijn het nog regelmatig oneens.
De een wijst naar de blauwdruk. De ander wijst naar mijn schouders, en naar wat ik daar zelf op leg, of soms op laat leggen.
Maar het proces laten gebeuren, toelaten, niet wegpoetsen, niet goedpraten, is voorlopig het eerlijkste wat ik kan doen. En heel misschien, heel voorzichtig, verschuift er daarmee iets.
Niet langer “ik ben nodig, dus ik besta”, maar iets wat tegelijk veel enger en veel rustiger is:
ik mag er ook zijn als ik niet nodig ben.
Ontdek meer van Mijn leven in zijpaden
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.