Gitzwarte ogen. De nacht die mijn kijk op het paranormale veranderde

Dit is deel 1 van mijn persoonlijke verhaal over de ervaring die uiteindelijk maakte dat ik na dertig jaar anders naar de paranormale wereld ging kijken.

Ik wil mijn ervaring eigenlijk al een hele tijd opschrijven. Ik heb al eens eerder een artikel geschreven over mijn ‘uitstapje’ van 30 jaar in de spirituele wereld. En ook hoe ik daar in terecht gekomen ben.

Laat me duidelijk zijn: ieder mens beschikt over intuïtie. Bij de een is die wat sterker ontwikkeld dan bij de ander.

Ik vergelijk het altijd een beetje met leren fietsen. Sommige kinderen stappen als ze klein zijn op een fiets en rijden zo weg. Anderen rijden nog een paar jaar met zijwieltjes. Of denk aan aanleg voor muziek of sport. De een pakt een instrument op en heeft het sneller in de vingers dan een ander. Het is aanleg.

Mijn intuïtie is, denk ik, redelijk goed ontwikkeld. Ik zal absoluut niet beweren dat het honderd procent van de tijd bingo is, maar meestal blijkt achteraf dat wanneer ik iets sterk ‘voel’ of ‘weet’, daar wel degelijk iets in zat.
Op zichzelf vind ik daar niets bijzonders aan.

Achteraf denk ik wel dat een sterk ontwikkelde intuïtie een factor kan zijn geweest waardoor ik gemakkelijker dingen aanvoelde die voor anderen niet zichtbaar waren.

Dus op zich niets bijzonders. Maar een sterke intuïtie is achteraf gezien iets wat wel een factor is die het makkelijker maakt om dingen aan te voelen, ook als ze niet zichtbaar zijn of van deze wereld.
Ik grapte vroeger regelmatig:

“I can see dead people.”

Waarop mensen me dan aankeken en nog net niet vroegen of ze misschien een ambulance moesten bellen. Ik moest daar eerlijk gezegd altijd wel om lachen. Het stoorde me niet dat ze me niet geloofden. Ik had ook helemaal geen behoefte om iemand ervan te overtuigen dat mijn ervaringen ‘echt’ waren.

Het vreemde was dat ik ‘ze’ niet met mijn letterlijke ogen zag. Het voelde meer alsof ik op zo’n moment ogen in mijn achterhoofd had. Alsof ik kon zien wat zich achter mij bevond zonder me daadwerkelijk om te draaien. Geen idee hoe dat werkte.

Ik weet ook heel goed hoe bizar het klinkt. Maar dat ik op die manier dingen heb gezien, gehoord en gevoeld, staat voor mij als ervaring niet ter discussie. Niemand hoeft dat van mij te geloven, daar gaat dit verhaal ook helemaal niet over.
Had ik in die jaren weleens negatieve ervaringen?

Jazeker.

Ik kan me bijvoorbeeld een avond herinneren waarop ik gewoon als publiek aanwezig was bij een spirituele vereniging. Degene die voor de zaal stond boeide me eerlijk gezegd niet zo. Sommige mensen hebben nou eenmaal een energie die niet zo lekker bij die van jezelf past. Prima. Ik was dus niet heel erg bezig met wat er voorin de zaal gebeurde. Wat ik me vooral herinner, is dat ik gedurende de avond enorme hoofdpijn kreeg en ik wilde eigenlijk alleen maar naar huis.

Toen ik thuiskwam en de huiskamer binnenliep, stond daar midden in mijn kamer een klein jongetje. Een jaar of zeven, schat ik, een jongetje dat alleen ik kon zien.
Ik vroeg hem wat hij in mijn huis deed. Ik kende hem immers niet. Hij vertelde me dat hij verdrietig was. Dat hij samen met zijn ouders bij een auto-ongeluk was omgekomen en hen niet meer kon vinden. Hij vroeg of hij voorlopig bij ons mocht blijven omdat hij alleen was. Hij wilde graag met mijn kinderen spelen, die toen nog heel jong waren. Ik zag daar op dat moment geen kwaad in.

En dus gaf ik hem toestemming om te blijven.
Die toestemming had ik nooit moeten geven.

De weken daarna heb ik last gehad van een schreeuwende, krijsende stem vlak bij mijn oor. Alsof iemand letterlijk naast me stond en van een paar centimeter afstand stond te gillen.

Lang verhaal kort: ik ben ervan afgekomen.
Maar niet zonder slag of stoot.

En zo zijn er in de loop der jaren nog wel meer incidenten geweest.
Toch waren die ervaringen voor mij lange tijd niet bepalend voor hoe ik tegen het paranormale aankeek.

Over het geheel genomen was ik juist blij met wat ik dacht voor andere mensen te kunnen betekenen. Ik kon mensen antwoorden geven op vragen over overleden familieleden. Ik kon iemand troosten die geen afscheid had kunnen nemen. Mensen wilden weten hoe het volgens ging met iemand die jaren geleden was overleden.
Ik zag vooral dát. De troost, de opluchting. De rust die het iemand bracht

De vervelende ervaringen beschouwde ik min of meer als de donkere randjes van iets waarmee ik verder dacht om te kunnen gaan.

Tot die ene nacht.

Een meisje dat een tijdlang bij ons in huis had gewoond, had inmiddels haar eigen woning gekregen. Het leek goed met haar te gaan. Ze leek het naar haar zin te hebben.
Tot ze midden in de nacht mijn dochter belde. Volledig over haar toeren. Ze schreeuwde tegen mijn dochter dat haar overleden grootvader bij haar in de kamer stond, was letterlijk buiten zichzelf van angst. Volgens haar zei hij verschrikkelijke dingen tegen haar. Ik kende die man toen hij nog leefde, en ik wist één ding zeker: zoals zij beschreef dat hij tegen zijn kleindochter sprak, zo zou hij nooit tegen haar hebben gesproken.
Mijn dochter heeft uiteindelijk tweeënhalf uur met haar aan de telefoon gezeten omdat ze niet meer durfde te slapen. Alle lichten aan in huis en uiteindelijk viel ze uitgeput in slaap.

De volgende dag hoorde ik het hele verhaal. Mijn eerste reactie? Het zal wel een droom zijn geweest.
Nou ja, een nachtmerrie.

Altijd eerst alle aardse en logische verklaringen uitsluiten voordat je ergens het etiket ‘paranormaal’ op plakt.

Dat is namelijk altijd mijn houding geweest. Ik heb nooit achter iedere vreemde gebeurtenis onmiddellijk iets bovennatuurlijks gezocht.
Mensen dromen. Angst kan rare dingen met je doen, tocht bestaat.
Planken kunnen scheef hangen en dingen kunnen omvallen. Eerst kijken wat er werkelijk aan de hand kan zijn.

Twee dagen gingen voorbij en alles leek weer rustig. Ik belde haar nog even om te vragen hoe het met haar ging en wat ze die avond ging doen. Ze vertelde vrolijk dat ze pannenkoeken ging bakken, het hele drama leek voorbij.
Tenminste, dat dacht ik. En toch zat me iets niet lekker, er was niets concreets waarvan ik kon zeggen: dát is het.
Ze leek alleen niet helemaal zichzelf, ik kan het niet anders omschrijven.
Iets in haar houding, haar manier van praten, net iets té vrolijk, het klopte voor mijn gevoel niet helemaal. Maar ik wuifde het weg.

Ik hing op en wij gingen zelf ook eten. Zo’n twee à drie uur later belde ze opnieuw. Dit keer volledig buiten zichzelf.

“Help! Help! Er beweegt van alles in mijn huis!”

We waren aan het videobellen, dus ik keek mee, ik hoorde niet alleen haar verhaal. Aan de muur hingen van die smalle IKEA-plankjes waarop foto’s stonden.
Terwijl zij zelf meters verderop stond in de open keuken, zag ik op mijn scherm hoe foto’s één voor één naar voren kwamen en van verschillende plankjes vielen. Koortsachtig zocht mijn brein naar een logische verklaring.
Een vaas met bloemen midden in de huiskamer op de tafel viel om.

Ik wist niet wat ik zag, kon mijn ogen nauwelijks geloven. Ik kon op dat moment niets bedenken wat voor mij verklaarde wat ik zag gebeuren. Het enige waarmee ik nog op de proppen kon komen waren zogenoemde poltergeistverschijnselen, waarvan weleens werd gezegd dat ze samen konden hangen met heftige emoties van een persoon.

Logisch blijven denken Suus. Op zichzelf natuurlijk een nogal bijzondere gedachtegang voor iemand die tegelijkertijd beweerde met doden te kunnen communiceren. Maar zo zat ik er dus in.
Zelfs binnen een paranormaal wereldbeeld probeerde ik nog steeds onderscheid te maken tussen wat gewoon verklaarbaar was en wat ik niet kon verklaren. En op dat moment dacht ik nog steeds dat ik min of meer wist in welke wereld ik mij bewoog. Ik had tenslotte eerder negatieve ervaringen gehad, daar was ik ook weer uitgekomen.

Ik dacht dat ik wist hoe ik grenzen moest stellen.
Dat ik wist wanneer iets wel of niet goed was.
Dat ik kon bepalen waar ik wel of niet aan meewerkte.

Dat idee zou niet lang daarna een flinke dreun krijgen.
“We komen eraan,” zei ik, en we stapten direct in de auto om haar op te halen.
Het plan was simpel. We zouden haar ophalen, ze zou bij ons slapen en de volgende dag zouden we, bij daglicht en met hopelijk wat meer rust in ons hoofd, bekijken wat hier in vredesnaam aan de hand was.

Het was inmiddels heel laat en mijn man ging vrijwel direct naar bed. Zij zou op de bank slapen. Ik wilde haar niet alleen laten zolang ze nog zo overstuur was. Ik deed wat zacht licht aan en zette rustige muziek op de achtergrond. Misschien zou ze daardoor wat ontspannen en uiteindelijk in slaap vallen. Maar ze bleef onrustig. Ze stond steeds weer op van de bank en liep door de kamer.
Ik weet het aan de spanning van die avond en hield haar vanaf een afstandje in de gaten.
Ik zat aan de eettafel wat op mijn laptop op internet te surfen.

Op een gegeven moment kwam ze schuin tegenover me zitten om een sigaret te draaien. Haar hoofd hing naar voren. “Ga nou proberen te slapen,” zei ik. Ik was zelf inmiddels ook doodmoe, het was inmiddels vijf uur in de ochtend en ik wilde ook naar bed.

Toen kwam langzaam haar hoofd omhoog. Ik keek in twee gitzwarte ogen, gevuld met pure haat. Ik kende haar, ze had immers bijna drie jaar bij ons in huis gewoond. Ik kende haar ogen, haar blik.
Toen spuugde ze bijna de woorden naar me uit:

“Je dacht toch niet dat je van me af was, hè?”

Heel even was ik volledig van mijn stuk gebracht, Mijn hartslag schoot omhoog en tegelijkertijd ging er maar één gedachte door mijn hoofd:

Rustig blijven, Suus. Vooral rustig blijven.

Ik kan naar waarheid zeggen dat ik nog nooit van mijn leven iets zo angstaanjagends heb gezien of gevoeld.En dat schrijf ik niet om van dit verhaal achteraf een horrorscène te maken of een remake van de exorcist.

Ik was bang, echt bang.

Niet omdat iemand even boos naar me keek, niet omdat ik mezelf zat op te jutten. Maar wat daar tegenover mij zat, daar ging pure haat en dreiging vanuit. Alsof er met die ene zin werd gezegd:

jij denkt misschien dat jij hier bepaalt wat er gebeurt, maar dat doe jij niet.

Ik kan je niet uitleggen hoe snel je gedachten elkaar opvolgen op zo’n moment. Je eigen ongeloof over wat je tegenover je ziet. De ene gedachte over de andere heen. Want jarenlang had ik gedacht dat ik wist wat ik deed. Waarmee ik bezig was. Toch wilde ik mijn angst niet laten zien.
Het werd bijna een strijd. Kijk jij weg of ik? Ik was vastbesloten dat ik het niet zou zijn. Intuïtief, of misschien zelfs wel instinctief had ik het gevoel dat ik op dat moment geen centimeter ruimte moest geven.

Kalm en beheerst zei ik: “Ik wil niet met jou praten. Ik wil met J. praten.” En ik bleef in die ogen kijken, ondanks dat alles in mij schreeuwde:

Wegwezen hier.

Langzaam, tergend langzaam, pakte ze de sigaret van tafel.
Of misschien was mijn beleving van tijd op zo’n intens moment anders geweest, ik weet het niet.
Toen stond ze op en liep naar de andere kamer.

Ik bleef achter, ik moest mijn gedachten ordenen, ik moest letterlijk even op adem komen.
Adem in, adem uit. Wat was hier in vredesnaam gebeurd?

Maar ik moest natuurlijk gaan kijken hoe het met haar ging. Ik liep naar de andere kamer. Ik ging tegenover haar zitten en wachtte tot ze me aankeek. Toen zag ik weer de ogen die ik kende.

Godzijdank.


Ik probeerde haar duidelijk te maken wat er momenten daarvoor was gebeurd. Ze keek me aan of ze water zag branden, ze wilde ze me niet geloven. Had totaal geen herinnering aan wat ze had gezegd of gedaan.

En ik? Ik was compleet in de war. Wat was er aan de hand?
Wat of wie had daar een paar minuten daarvoor tegenover mij gezeten?
Zij ging uiteindelijk op de bank liggen.
Ik ben wakker gebleven.

De volgende dag brachten we haar weer naar huis. Zij voelde zich prima. Sterker nog, ze was bijna overdreven uitgelaten. Ik niet. Bij mij was iets verschoven.
Niet zo dat ik die ochtend onmiddellijk dertig jaar aan ervaringen, overtuigingen en verklaringen overboord gooide, zeker niet. Maar er was wel een barst ontstaan in iets waarvan ik jarenlang had gedacht dat het stevig stond.

Voor het eerst vroeg ik me niet alleen af: Wat heb ik hier meegemaakt?
Maar ook: Weet ik eigenlijk wel waarmee ik al die jaren bezig ben geweest?
En misschien nog belangrijker:

Zijn de grenzen waarvan ik dacht dat ík ze bepaalde werkelijk iets waar ik controle over heb als mens?

Een dag later escaleerde de situatie, en dát werd uiteindelijk mijn kantelpunt.
Het was voor mij het moment waarop ik begon te beseffen dat ik veel minder wist dan ik al die jaren had gedacht.
En dat de wereld waarin ik me dertig jaar had bewogen misschien niet zo onschuldig was als ik haar lange tijd had beschouwd.

Dit was nog niet het einde.
De volgende dag escaleerde de situatie verder. En juist dát moment werd uiteindelijk mijn kantelpunt.

Daarover vertel ik in het volgende deel.






Ontdek meer van Mijn leven in zijpaden

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

2 reacties

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *