Arex, 15 februari 2015 – 8 oktober 2026
Dit zal geen keurig gestileerd verhaal zijn. Niet nu. Ik kan nauwelijks een paar zinnen over hem denken of woorden over hem uitspreken zonder dat de tranen alweer komen. Toch wil ik hem hier hebben. Op mijn website. Vandaag. Dat verdient hij. Tussen alle stukken van mijn leven, want als iemand daar thuishoort, dan is het Arex.
Mijn beessie. Twaalf jaar lang mijn beste maatje. 🐾
En vandaag, 8 oktober 2026 om 15.50 uur, moest ik hem laten gaan.
Er was eerst nog hoop. Een paar weken geleden begon het eigenlijk met dingen die niet meteen bij elkaar leken te horen. Hij wilde niet of nauwelijks drinken. Virusje dacht ik. Al helemaal niet uit zijn waterbak. Dus kreeg hij water uit een beker. Kleine slokjes. Sipjes, iedere keer weer. Maar het ging niet over, ook niet na een week.
Dat bekertje stond vanavond nog in de wasbak in de badkamer.
Na een week gingen we naar de dierenarts. Arex was geen hond die zomaar even onderzocht kon worden zonder een hap te willen nemen uit de dierenarts. Voor mij was hij de liefste hond ter wereld, mijn maatje.
Dus het fysieke onderzoek was wat geimproviseerd. Als ze op zijn buik drukte terwijl wij zijn kop vasthielden zodat hij niet kon bijten, dan ging er een rilling door hem heen. De dierenarts wist het niet, dacht misschien aan een ontsteking in de buik, of heel misschien aan een tumor, alhoewel ze niets voelde. Hij was tenslotte al twaalf jaar oud.
Gewapend met een doos pillen tegen de misselijkheid gingen we naar huis. En ergens in mijn lijf rilde er iets mee.
Dit is niet goed.
Ik drukte het weg.
Terug naar nu. Ik liep er net tegenaan nadat ik drie uur van pure uitputting geslapen had, en ineens was daar weer die mokerslag: ik hoef hem nooit meer uit dat bekertje te laten drinken. En daar kwamen de tranen weer.
De laatste weken kreeg hij natvoer waar ik extra water doorheen deed. Als hij maar vocht binnenkreeg. Soms lukte dat goed. Soms wilde hij helemaal niets.
De pillen? Die deden nagenoeg niets, mijn gevoel dat het ‘niet goed was’ werd luider. Dus ik ging zoeken. Op een gegeven moment een goede week later zat hij hier naast me aan tafel en terwijl ik over zijn wangetje en hals aaide voelde ik een bultje. Lymfeklier? Keelontsteking dan misschien? Weer overleg met de dierenarts. Ze wilde geen antbiotica geven zonder diagnose en ik kon ook niet iedere paar dagen bijna € 70,00 neertellen voor een bezoek aan de dierenarts. Dat was realiteit.
Dat bultje groeide en hij werd stiller. Lag meer op zijn kleedje voor de bench van zijn broer. Ging wat meer piepen in de avond in zijn bench. Zijn blaf veranderde ook, werd heser, lager. Hij werd wat grumpier tegen Aik. Zijn tolerantie werd minder. Aik kon daar niets aan doen en Arex evenmin.
Toch weer een afspraak gemaakt, het gevoel gegroeid tot een stem die wist dat het echt niet goed was. Maar we wisten nog niet wat er precies aan de hand was. En zolang je het niet weet, is er altijd dat achterdeurtje in je hoofd.
Ze gaf al voorzichtig aan op basis van het beeld wat ze had dat ze dacht aan een lymfoom. Maar de patholoog moest uitsluitsel geven. Mijn hart zonk als een baksteen in mijn schoenen. Maar toch…..
Misschien valt het mee.
Misschien kunnen ze er iets aan doen.
Misschien is het iets anders.
Ergens blijft dat ene piepkleine stukje hoop zitten.
Na het bezoek aan de dierenarts zijn we zelfs nog langs de McDonald’s geweest. Arex kreeg een hamburger.
Die ging er gewoon in als letterlijk een warm broodje.
Dat was Arex blijkbaar ook: doodziek kunnen zijn en toch denken dat een hamburger nog een uitstekend plan is.
Het veranderde niets aan wat er met hem aan de hand was. Maar het was nog een heel dierbaar en leuk moment.
En die momenten ging ik inmiddels tellen.
Toen kwam het telefoontje
De dierenarts had materiaal uit de zwelling laten onderzoeken. Het was definitief.
Een zeer agressieve vorm van kanker.
De uitkomst was niet meer goed. Ik kon er niet meer voor weglopen, het niet meer wegduwen in mijn gedachten. En daarmee verdween het laatste kleine achterdeurtje.
Niet meer hopen dat ze zich vergist hadden.
Niet meer hopen op een wonder.
Het was klaar.
En ik wil één ding heel duidelijk zeggen. Wij hebben niet besloten dat Arex moest gaan. De kanker heeft dat besloten. Wij mochten alleen nog bepalen wanneer we zouden voorkomen dat die kanker hem letterlijk ook zijn lucht zou benemen.
Dat verschil is voor mij belangrijk. Want ik wilde hem helemaal niet laten gaan, God nee. Dat was het laatste wat ik wilde. Ik had hem graag nog maanden of jaren water uit een bekertje laten drinken, zijn grumpy buien op de koop toe genomen.
Ik wilde hem houden, ik wilde hem zo intens graag bij me houden
Vandaag wist ik het
Vanmorgen kwam hij hijgend uit zijn bench. Hij kwispelde nog steeds als hij naar me toe sjokte, maar het enthousiasme was er uit. Hij plofte onder de tafel aan mijn voeten neer. Hij at nog steeds, dronk nog steeds sipjes water.
Ik wist het: het werd niet over een paar dagen. Het zou vandaag worden. Want een hond hoeft niet eerst ieder laatste beetje levenslust kwijt te zijn voordat je mag erkennen dat zijn lichaam het niet meer trekt.
En met die tumor in zijn hals wist ik één ding zeker: ik wilde niet wachten tot mijn hond geen lucht meer kon krijgen. Niet tot hij in paniek raakte, niet tot hij gereduceerd werd tot een spoedgeval.
Niet tot mijn beessie zou moeten vechten voor iedere ademhaling terwijl wij machteloos om hem heen stonden.
Dus vandaag was het zover. En om 15.50 uur vanmiddag ging hij over de regenboogbrug. Naar Sam, naar Branco die ongetwijfeld op hem gewacht hebben daar. En spelen ze en rennen
Zelfs terwijl ik die woorden schrijf, protesteert alles in mij.
Hij is er niet meer. Mijn beessie is weg.
Dat zinnetje blijft maar terugkomen.
Me and my shadow
Ik heb vanmiddag een paar uur geslapen. Een paar keer schrok ik wakker.
En iedere keer kwam als eerste die gedachte: Hij is er niet meer.
Ik werd er letterlijk misselijk van.
Ik liep naar de badkamer om wat water op mijn gezicht te doen, op mijn dikke ogen van het huilen. In de wasbak stons zijn bekertje. Het bekertje waaruit ik hem de afgelopen weken steeds die kleine slokjes water gaf.
Zijn bench is vanmiddag weggehaald. Een lege bench wilde ik niet naar kijken.
Zijn dekentjes liggen er nog.
Die hoeven nog niet weg.
Misschien morgen niet. Misschien volgende week niet.
Ik weet het niet.
En dan zijn er die andere dingen. De dingen waarvan je nooit wist dat ze herinneringen waren totdat ze ophielden.
Als ik naar het kamertje liep, liep Arex achter me aan. Naar de slaapkamer: hetzelfde.
Trip. Trip. Trip.
Altijd die pootjes achter me.
Me and my shadow.
Twaalf jaar lang was dat geluid onderdeel van mijn leven.
En nu loop ik ergens naartoe en komt hij niet meer achter me aan.
Die gemis doet verschrikkelijk veel pijn. Nu al, morgen nog meer en wie weet hoe lang nog.
Waar ben je nu, mijn beessie?
Ik weet dat mensen verschillende dingen geloven over dieren en over wat er na de dood gebeurt. Ik weet het ook niet met zekerheid. Maar vandaag wil ik niet twijfelen.
Vandaag moet ik geloven dat er voor Arex meer is dan dat laatste moment om 15.50 uur toen je je laaste adem uitblies met je kop in mijn handen.
Ik keek in je ogen en zag iets opvallends: als mensen overlijden zie je dat de ziel uit de ogen weg is. Bij Arex zag ik dat niet. Zijn bruine ogen waren nog exact hetzelfde. Ik vond dat gek genoeg heel pijnlijk. Als ik in je ogen keek was je er nog maar je buik ging niet meer op en neer. Je hartje was gestopt.
Maar in mijn hoofd wil ik dit beeld:
Geen kanker.
Geen pijn.
Geen zware ademhaling.
Geen hals die hem pijn doet.
Geen bekertje waaruit hij voorzichtig wat water moet drinken.
Er zijn grasvelden.
Er is ruimte.
En ergens lopen Sam en Branco.
Onze honden die hem voorgingen.
Ik stel me voor dat Arex daar inmiddels is.
Misschien heeft hij ze al gevonden.
Misschien rent hij weer zoals hij ooit kon rennen, voordat uiteindelijk die verschrikkelijke kanker zijn lijf begonnen af te pakken. En daarom staat er nu ook een regenboog bij hem op mijn afbeelding.
Ik weet niet wat er achter die regenboog is. Maar vandaag kies ik ervoor te geloven dat mijn beessie daar veilig is.
Twaalf jaar
Twaalf jaar. Hoe stop je twaalf jaar in een afscheid? Dat kan helemaal niet.
Twaalf jaar zit niet alleen in foto’s en grote herinneringen. Het zit in een waterbak, een dekentje, een bench, een bekertje in de wasbak. En een hamburger van de McDonald’s.
Maanden lang iedere nacht een zeer pootje verzorgen en samen in de kamer zitten ’s nachts.
Mijn hand op je buik zodat je naast mijn bed rustig ging slapen met je zere pootje.
Een wangetje dat je nog even aait.
Zelfs om twee uur vanmiddag nog toen ik huilend bij je op de grond zat en je naast me lag.
Je likte de tranen van mijn wangen, alsof je wilde zeggen: het is goed zo.
En vooral, vooral in dat geluid achter je wanneer je door het huis loopt: trip, trip, trip.
Ik ga hem zo vreselijk missen. Ik mis hem al vreselijk, niet een beetje, en niet alleen vandaag.
Ik ga mijn maatje missen in honderden kleine momenten waarvan ik waarschijnlijk nu nog niet eens weet dat ze bestaan.
Mijn schaduw is weg. Mijn beessie is weg.
Maar twaalf jaar lang was hij hier. Twaalf jaar lang was ik zijn mens en was hij mijn beessie❤️🐾
En kanker pakte hem van me af, maar die twaalf jaar krijgt het niet.
Die zijn van mij. Voor altijd.
Dag mijn beessie.
Mijn beste vriendje
Voor altijd leef je door in mijn hart
En als er inderdaad ergens van die eindeloze grasvelden zijn: rennen, jongen, rennen.
Tot we elkaar weer zien ❤️🐾🌈
Ontdek meer van Mijn leven in zijpaden
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.