Dat soort mensen

Over “heb uw naaste lief als uzelf” en wat er gebeurt zodra we mensen op één hoop gooien

“Heb uw naaste lief als uzelf.” — Mattheüs 22:39 Een simpele opdracht. Eén zin. Als iedereen zich eraan hield, zou de wereld er morgen een stuk mooier uitzien. Zo bekeken lijkt het bijna te makkelijk.

Maar zodra het moeilijk wordt, blijkt hoe weinig er van die eenvoudige opdracht overblijft. En dat zie ik niet alleen bij mensen zonder geloof. Ook mensen die deze woorden kennen uit de Bijbel, vergeten ze zodra angst, woede of afkeer de overhand krijgt.

Begrijp me goed: niets menselijks is ons vreemd. Veel van onze reacties worden aangewakkerd door wat op internet wordt uitvergroot en door de manier waarop gebeurtenissen in de media worden neergezet. Daarmee wil ik niets afdoen aan het feit dat individuen verschrikkelijke misdaden kunnen begaan. Maar een individu is nog geen hele groep. Wanneer iemand uit een straat een misdaad begaat, maakt dat niet de hele straat misdadig.

Als je maar vaak genoeg zegt: “Kijk eens wat mevrouw X of meneer Y heeft gedaan en o ja, die hoorde toevallig bij díé groep,” dan nestelt dat verband zich vanzelf in ons hoofd. Dat is het begin van guilt by association: de daad van één persoon wordt langzaam een verdenking tegen iedereen die toevallig tot dezelfde groep behoort.

Bij de toeslagenaffaire zagen we waar dat toe kan leiden. Afkomst werd gebruikt als risico-indicator en mensen werden op voorhand met extra wantrouwen bekeken. Hoorde iemand bij de ‘verkeerde’ groep, dan lag het oordeel al klaar: dan zal hij ook wel… Jaren later proberen nog altijd gezinnen een enigszins normaal leven terug te krijgen. Ze belandden onterecht op zwarte lijsten, liepen enorme financiële schade op en raakten verwikkeld in een strijd met instanties die hen juist hadden moeten beschermen. De emotionele schade die zo’n beschuldiging binnen een gezin aanricht, valt niet eens in geld uit te drukken.

Maar terug naar wat de Bijbel zegt. Ten slotte willen we het simpel en eerlijk houden, en je kunt er in dit geval moeilijk omheen.

Wat Jezus in Mattheüs 22:39 zegt, was niet nieuw. Hij citeerde Leviticus 19:18. En een paar verzen verder, in Leviticus 19:34, staat iets wat je gemakkelijk over het hoofd ziet: diezelfde liefde geldt ook voor de vreemdeling die bij je woont. Heb hém lief als jezelf want je bent zelf ooit die vreemdeling geweest in Egypte. De uitbreiding naar de buitenstaander is dus geen moderne, tolerante aanvulling. Ze stond er vanaf het begin in en werd verankerd in een herinnering: jullie waren zelf ooit die ander.

Even een kattenbelletje, want de context is altijd belangrijk. In Mattheüs 22 vraagt een Farizeeër aan Jezus wat het grootste gebod in de Wet is. Hij wil Jezus testen. Jezus antwoordt met twee geboden. Het eerste: heb God lief met heel je hart, heel je ziel en heel je verstand. Daarna zegt hij dat het tweede daaraan gelijk is: heb je naaste lief als jezelf. Aan deze twee geboden, zegt hij, hangen de hele Wet en de Profeten.

Hij zet de liefde voor God en de liefde voor de naaste dus onlosmakelijk naast elkaar. Je kunt niet beweren dat je het ene doet, terwijl je het andere laat liggen.

In Lukas 10:25–37 wordt het verhaal van de barmhartige Samaritaan verteld. Ook daar stelt een wetgeleerde vragen en draait het om diezelfde twee geboden. Maar vervolgens vraagt de man: “En wie is dan mijn naaste?” Dat was geen onschuldige vraag. Het was een poging om de opdracht af te bakenen. Hij dacht slim te zijn want als je kunt vaststellen wie wél je naaste is, weet je meteen wie je mag overslaan.

Het was eigenlijk een ontsnappingsvraag: waar houdt mijn verplichting op? Wie hoef ik niet als mijn naaste te behandelen?

Dan vertelt Jezus een verhaal.

Een man wordt op de weg van Jeruzalem naar Jericho overvallen, beroofd, in elkaar geslagen en halfdood achtergelaten. Er komt een priester langs. Hij ziet de man liggen en loopt met een boog om hem heen. Daarna komt er een Leviet, eveneens een man van de tempel. Ook hij ziet de gewonde en loopt door. Dit zijn de vrome en respectabele mannen. Mensen uit de eigen groep, van wie je hulp zou verwachten.

En dan komt er een Samaritaan langs. Je moet begrijpen wat dat woord deed bij het publiek van Jezus. Joden en Samaritanen leefden al eeuwen op gespannen voet met elkaar, die lagen elkaar niet zo. Samaritanen waren de religieuze buitenstaanders, mensen die het geloof volgens de Joden verkeerd beleefden, mensen van de verkeerde afkomst en de verkeerde groep. Precies de mensen tegen wie een muur was opgetrokken.

En uitgerekend die man stopt. Hij verzorgt de wonden, zet de gewonde op zijn eigen rijdier, brengt hem naar een herberg en betaalt uit eigen zak voor zijn verzorging.

Daarna draait Jezus de vraag om. De wetgeleerde vroeg: “Wie is mijn naaste?” Wie behoort tot mijn kring? Maar Jezus vraagt: wie ís voor de gewonde man een naaste geweest? De vraag verschuift van wie hoort erbij? naar voor wie word ík een naaste?

Van een categorie naar een daad.

De wetgeleerde moet het antwoord bijna door zijn strot persen. Hij zegt niet eens: “De Samaritaan.” Hij antwoordt: “Degene die hem barmhartigheid heeft bewezen.”

En Jezus zegt: “Ga heen en doe evenzo.”

Jezus neemt de vraag “wie mag ik uitsluiten?” en breekt die volledig af. Hij maakt de verachte buitenstaander tot de held en de respectabele mensen uit de eigen groep tot degenen die falen.

Wie de kring van ‘naaste’ krap wil houden, krijgt van Jezus een ongemakkelijk spiegelbeeld voorgeschoteld: de ander die je wantrouwt, kan zomaar degene zijn die de opdracht wél begrijpt.

En dan komt mijn moeilijke vraag.

Het is makkelijk om lief te hebben wie je aardig vindt. Maar hoe zit het wanneer mensen geweld gebruiken of misdaden begaan? Geldt het gebod dan nog steeds? Moet ik dan maar met mijn pootjes omhoog gaan liggen en me alles laten aandoen? Ik denk het niet. Volgens mij halen we hier twee dingen door elkaar die we uit elkaar moeten houden.

Liefhebben is niet hetzelfde als het overal mee eens zijn. Het betekent niet dat je geen grenzen mag stellen, en ook niet dat je naïef moet zijn over werkelijk kwaad. Je kunt iemand als mens liefhebben en het fundamenteel met hem oneens zijn. Je kunt zijn menselijkheid blijven zien en tegelijkertijd zijn gedrag volledig afwijzen.

En vooral dat lijkt in deze tijd steeds moeilijker te worden: elkaar niet ontmenselijken. Zodra iemand tot het verkeerde ‘kamp’ behoort, de verkeerde mening heeft of bij de verkeerde groep wordt ingedeeld, verdwijnt de mens achter het etiket.

De opdracht vraagt niet dat je jezelf laat vertrappen. Ze vraagt dat je de ander als mens blijft zien, zelfs wanneer die iets afschuwelijks heeft gedaan. Dat is iets heel anders. Sterker nog: iemand tegen geweld beschermen kan juist een vorm van naastenliefde zijn. Wie een slachtoffer beschermt tegen een dader, iemand die kwaad doet, heeft dat slachtoffer lief. Je verzetten tegen kwaad is dus geen schending van het gebod.

Het gebod verbiedt haat, geen verzet.

Let daarbij op het woord dader. Niet de familie van de dader. Niet de hele bevolkingsgroep waartoe hij behoort. Niet iedereen die toevallig dezelfde religieuze overtuiging, afkomst of nationaliteit heeft.

Kwaad benoemen en tegenhouden: ja.

Mensen ontmenselijken en wegzetten als “dat soort mensen”: daar gaat het mis. Dat is precies wat het gebod probeert tegen te houden.

En hier zit het addertje dat ik na mijn vorige stuk niet meer kan negeren. Op het moment dat ik in dit artikel ‘de gewelddadige groep’ ga aanwijzen, doe ik zelf precies wat ik aanklaag. Dan maak ik mijn eigen kring krapper. Dan ontstaat er opnieuw een ‘zij’ die het fout doet en een ‘ik’ die denkt het allemaal te zien en te doorgronden. Zonder dat ik het wil, zet ik daarmee hetzelfde mechanisme in werking dat ik juist probeer te stoppen.

Voor de goede orde: dit geldt net zo goed voor mij. Ik ben de laatste die hierover vanaf een voetstuk mag spreken. Ook ik ga de mist in. Regelmatig. Ook ik laat me meeslepen door de media, door beeldvorming en door mijn eigen woede of frustratie.

Tot mijn grote schaamte herinner ik me een tijd waarin het geweld tussen Israël en Gaza opnieuw sterk oplaaide. Ik riep toen: “weet je wat? Maak van Gaza maar één grote parkeerplaats, dan zijn we er maar vanaf.” Niet mijn fraaiste uitspraak, achteraf gezien. Ik schaam me er nu voor. Want waar ik op dat moment niet bij stilstond, was dat in Gaza óók onschuldige mensen wonen. Mensen met gezinnen, kinderen en baby’s. Mensen die gewoon in vrede willen leven.

Van hún huizen, straten en levens wilde ik één grote parkeerplaats maken. Waarom?Omdat ik hen op één hoop gooide met de mensen die daar woonden en gruweldaden pleegden.

En andersom geldt precies hetzelfde.

Ook in Israël wonen mensen die hetzelfde willen als veel mensen in Gaza: leven, werken en ’s avonds thuiskomen bij hun kinderen. Maar ook daar wonen mensen die gruweldaden plegen. Vóór de oorlog werkten veel Palestijnen dagelijks in Israël, ook mensen uit Gaza. Aan beide kanten van het hek stonden mensen die ’s avonds gewoon naar huis wilden. Geen beste vrienden misschien. Maar dat vraagt het gebod ook niet.Het punt is dat zij als mensen naast elkaar konden staan.

Ik heb dus geen keurig, afgerond antwoord. Ik heb alleen een maat:

“Als uzelf.”

Die maat is lastig, omdat niemand hem voortdurend haalt. In geen enkele richting. Ik probeer ieder mens als mens en als individu te blijven zien. Ik hoef iemand niet aardig te vinden. Ik hoef zijn overtuigingen niet te delen. Ik hoef zijn gedrag niet goed te praten. Maar ik wil hem wel als mens blijven zien. En we falen daarin allemaal, bijna dagelijks. Ik zie het om me heen gebeuren en ik zie het bij mezelf.

De vraag is wat ik daarna doe.

Laat ik het liggen en huil ik mee met de wolven? Doe ik alsof de lat lager ligt zodra de werkelijke hoogte ervan mij niet uitkomt? Of ben ik bereid om iedere keer dat ik de fout inga kritisch naar mijn eigen gedrag te kijken en mij zijn woorden opnieuw te her-inneren?

Keer op keer.

Ik heb niet alle antwoorden. Maar ik weet wel dat ‘te moeilijk’ eigenlijk ‘te makkelijk’ is en geen vrijstelling.

De woorden op de afbeelding hieronder zijn een vrije weergave van een bekende uitspraak van Martin Luther King. Ze staan weliswaar niet in de Bijbel, maar wat had die man gelijk.

Kings oorspronkelijke formulering luidt: “Hate cannot drive out hate: only love can do that.”


Ontdek meer van Mijn leven in zijpaden

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *