Over waarom we elkaar de hele dag beplakken, verzuiling 2.0
“Ik ben niet gek, ik ben een vliegtuig.”
Een woordgrapje dat ik vroeger vaak maakte. Inmiddels heb ik hem aangepast, want ook ik ga met mijn tijd mee:
Ik ben niet gek, ik ben een zuil.
Want gek dekt de lading niet meer. We zijn tegenwoordig allemaal verzuild. Of misschien nog erger: we zijn allemaal onze eigen zuil geworden.
Vroeger werd het woord verzuiling gebruikt voor de opdeling van Nederland in katholieken, protestanten, socialisten en liberalen. De hokjes waren groot en overzichtelijk. Iedere zuil had haar eigen scholen, kranten, omroepen, politieke partijen, verenigingen en steunsystemen. Je werd binnen een zuil geboren en wist min of meer waar je thuishoorde.
Die oude zuilen zijn grotendeels afgebroken of buiten beeld geraakt. De behoefte aan hokjes blijkbaar niet. Die lijkt alleen maar groter te zijn geworden. Want nu labelen we elkaar de hele dag door. Grote labels, kleine labels, medische labels, politieke labels en vooral heel veel woorden die als oordeel bedoeld zijn.
ADHD’er. Autist. Communist. Fascist. Links. Rechts. Deugmens. Wappie. Snowflake. Hater. Eén of als je pech hebt meerdere labels op het voorhoofd en klaar.
Ik betrap mezelf er ook op. Laatst schreef ik nog: het kan me niet schelen welk label je op mijn voorhoofd plakt. Maar als ik daar eerlijk naar kijk, maakt het me wel degelijk uit. Sterker nog, ik realiseer me dat ik mezelf ook identificeer met een label. Ik zeg regelmatig: ik ben ADHD’er. Dat label heb ik ooit gekregen en in de loop der tijd ben ik het niet alleen gaan gebruiken om iets over mezelf uit te leggen, maar ook om mezelf ermee te omschrijven als persoon. En eerlijk? Dat heeft zo z’n voordelen.
Want ik gooi mijn label op tafel en hoef verder niets uit te leggen. Als excuus soms voor mijn chaos, mijn vergeetachtigheid, mijn niet kunnen stoppen als ik ergens in duik, de drukte in mijn hoofd: ADHD. Klaar en wel zo gemakkelijk.
Maar is het ook eerlijk tegenover mezelf? Ben ik alleen maar mijn label? En is de ander dat wel?
Natuurlijk kan een label betekenis geven aan iets wat je eerder niet begreep. Het kan duidelijk maken dat je niet lui, lastig, ongemotiveerd of gewoon een beetje weird bent. Een diagnose kan erkenning geven of de deur openen naar hulp. Sterker nog: onze samenleving is inmiddels zo georganiseerd dat je zo’n label vaak nodig hebt voordat die deur überhaupt opengaat.
Neem autisme. Je wordt onderzocht en krijgt te horen dat je een autismespectrumstoornis hebt, kortweg ASS. Sinds de invoering van de DSM-5 is dat de overkoepelende diagnose voor verschillende vormen van autisme. Vroeger waren er afzonderlijke categorieën, zoals Asperger, klassiek autisme en PDD-NOS. Al die oude labels worden niet meer afzonderlijk uitgedeeld. Het nieuwe label luidt ASS. En om het nog ingewikkelder te maken, kun je vervolgens ook neurodivergent worden genoemd. Iedereen met ASS kan onder die paraplu vallen, maar niet iedereen die neurodivergent wordt genoemd heeft ASS.
Ik kan je vertellen: mijn ADHD-gelabelde brein krijgt hier spontaan kortsluiting van haha.
Maar goed, daar sta je dan met je label.
Je zoekt hulp, maar bij wie moet je zijn? Kom je bij de aanmelding op het verkeerde stapeltje terecht – in het verkeerde hokje – dan heb je een probleem. Dan kun je na maanden wachten weer retour worden gestuurd naar de grote vergaarbak en ben je nog steeds niet geholpen.
Ook bij mijn huisarts wordt er eerst ingedeeld in hokjes. Wanneer ik bel, spreek ik mijn klachten in. Iemand luistert het bericht af, beoordeelt wat erop van toepassing is en ik ontvang een sms met wat ik moet doen. Afwachten, terugbellen, langskomen of rechtstreeks door naar de spoedeisende hulp.
Een hokje kan nuttig zijn als ingang en soms zelfs vereist, vooral in de gezondheidszorg. Veronderstel je amandelen moeten er uit en ze zetten per ongeluk je been af. Daar zou je rare toestanden van krijgen.
Maar over het algemeen wordt labelen pas ongewenst wanneer je label ook je eindbestemming wordt.
Wanneer het label je niet meer helpt om de mens te begrijpen, maar de mens vervangt.
De medische voorbeelden laten zien hoe diep het hokjes denken in de systemen van onze samenleving is doorgedrongen. Maar ik wil terug naar de wat lichtere labels. De labels die we gebruiken om elkaar in het dagelijks leven en vooral online in groepen in te delen: communist, fascist, links, rechts. deugmens, wappie, snowflake, hater etc.
Waarom doen we dat? En wat verliezen we ermee?
Het eerlijke antwoord is niet bijzonder fraai: labelen is gemakkelijk. Het is een snelkoppeling in ons hoofd. Eén woord en je hoeft de ander niet meer te leren kennen. Je weet al genoeg – althans, dat denk je. Het bespaart tijd, moeite en vooral het ongemak van iemand die niet precies in jouw straatje past.
Ik doe het zelf ook. Oh, dat is die hater of daar heb je die snowflake weer.
Klaar. Opgeborgen. Volgende. Het is verleidelijk omdat het werkt. Niet omdat het waar is, maar omdat het gemakkelijk is.
Maar daar zit nog een diepere laag onder. Want wanneer ik jou in een hokje stop, weet ik onmiddellijk waar ik zelf sta: in het andere hokje.
Als jij de hater bent in mijn hoofd, dan ben ik kennelijk de redelijke en genuanceerde stem. Als jij een wappie bent, ben ik verstandig en de realist. Als jij een fascist bent, sta ik vanzelfsprekend aan de goede kant van de geschiedenis. Het label dat ik op jou plak, vertelt dus nagenoeg niets over jou maar een heleboel over mij. Misschien labelen we een ander niet eens in de eerste plaats om de ander te plaatsen, maar om onze eigen positie te bevestigen.
En wat verliezen we wanneer we zo met elkaar omgaan? We verliezen de verrassing. De mogelijkheid dat iemand ons in positieve zin verrast. Dat iemand die we als links hebben ingedeeld toch anders blijkt te zijn. Dat iemand die rechts stemt iets zegt wat sociaal en menselijk is. Dat een vermeende wappie een redelijke vraag stelt en niet de hele dag met een aluhoedje oploopt, of een deugmens zowaar gevoel voor humor blijkt te bezitten. Want zodra het label erop zit, stopt het kijken en ontdekken.
Je ontmoet niet langer de persoon, maar het beeld dat past bij jouw omschrijving van het label. Alles wat hij vervolgens zegt, wordt door dat etiket gefilterd. Past het erbij, dan zie je je oordeel bevestigd. Zie je wel? Ik wist het. En past het er niet bij, dan negeer je het of bedenk je een nieuw label. En zo krijgt een mens uiteindelijk een hele stapel labels opgeplakt, laag over laag.
Kijk maar naar mij. Ik ben de ADHD’er, de fascist, de wappie, soms de communist nooit de narcist, natuurlijk, want dat label plakt een ander er wel op. Al die posters over elkaar heen, en de helft spreekt de andere helft tegen. Zo werkt het met iedere zuil: geen mens past in één label, laat staan in de tegenstrijdige stapel die er hangt.
Maar weet je? We hoeven het ook helemaal niet altijd met elkaar eens te zijn. Ruzie, debat en botsende standpunten horen bij een gezonde samenleving. We kunnen elkaars denkbeelden afwijzen zonder dat er direct oorlog hoeft uit te breken.
Agree to disagree.
Ik weet niet hoe we van al die plaklaagjes afkomen. Ik weet één ding : onder al mijn labels zit een mens die je kan verrassen, en dat geldt voor jouw labels net zo goed.
Ontdek meer van Mijn leven in zijpaden
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.