Zo wordt een kind een constructiefout

Het OLVG breekt vier zwangerschappen af tussen 22 en 24 weken. Niemand heeft daar ooit over gestemd

Ze noemen het een hiaat.

Dat is het woord dat ze hebben gekozen, en ik wil dat je er even bij stilstaat, want in dat woord zit het hele stuk al. Een hiaat is een gat. Een gat is een gebrek. En een gebrek hoort gedicht te worden – dat zit ingebakken, daar hoef je niet eens over na te denken, dat doet het woord voor je. Gaten dichten. Ik heb er een beeld bij dat ik je zal besparen.

Wat is dat gat dan?

De Nederlandse wet staat zwangerschapsafbreking toe tot vierentwintig weken. De abortusklinieken deden het niet na tweeëntwintig. Niet omdat het verboden was, maar omdat ze zelf, uit eigen beweging, twee weken afstand hielden van de grens. Uit voorzichtigheid. Omdat ze wisten wat er in die laatste twee weken in een baarmoeder ligt.

Dát is het hiaat. En de beroepsverenigingen hebben besloten dat die terughoudendheid een constructiefout is. Denk daar even over na. Waaróm hielden die klinieken die twee weken aan? Niet uit bureaucratie. Niet uit slordigheid. Vanwege wie er in de baarmoeder groeit. Omdat je op tweeëntwintig weken met een tang een kamer binnengaat waar minimaal twee personen zijn: een moeder en een levende baby.

De marge bestond omdat het kind bestond.

Dus wie die marge een gat noemt, wie die terughoudendheid een constructiefout noemt en er een pilot op zet om hem te repareren, die zegt in werkelijkheid iets anders. Iets wat hij nooit hardop zal zeggen en waarschijnlijk zelf niet eens denkt: dat wat daar ligt, is het obstakel. Het defect in het systeem. Het ding dat de zorg in de weg zit.

Zo wordt een kind een constructiefout. Niet met een besluit. Met een woordkeuze.

Wat er precies gebeurt

Het OLVG in Amsterdam is begonnen met een proef. Vier zwangerschappen tussen de tweeëntwintig en vierentwintig weken worden afgebroken op sociale indicatie. De gynaecologenvereniging wil dat alle Nederlandse ziekenhuizen straks meedoen. Andere ziekenhuizen “verkennen” of ze kunnen aansluiten.

Sociale indicatie. Ook zo’n woord. Het klinkt als een medische term, met dat *indicatie* erachter, alsof er iets is vastgesteld. Er is niets vastgesteld. Een sociale indicatie is: het niet zien zitten om een kind op te voeden. Of: de relatie is uit. Of: het komt nu even niet uit.

Er is geen toetsingskader. Er is geen ondergrens. Er is geen commissie die zegt: dit wel, dit niet. Er is een containerbegrip met een witte jas aan, en je kunt er alles in gooien wat je maar wilt, want zodra de indicatie “sociaal” heet, is de vraag *waarom* niet meer te beantwoorden.

Containerbegrip. Ik heb dat woord niet gekozen om aardig te zijn, integendeel.

Een container is iets waar van alles in kan zonder dat er nog iemand kijkt wat erin ligt. Een verbroken relatie erin, slechte timing erin, het kwam even niet uit, alles erin. En als de doos ruim genoeg is en de gesprekken zijn gevoerd en de formulieren zijn getekend, dan gaat aan het einde van die middag nog iets een container in.

De baby.

Ik weet dat je dat een smakeloze zin vindt. Ik vind hem zelf ook smakeloos, en ik heb hem drie keer weggehaald voordat ik hem liet staan. Ik heb hem gekozen om mijn walging uit te drukken, en ik kan geen ander woord bedenken dat de lading dekt van wat ik nu voel. Maar hij is niet onwaar en dát is het probleem.

Sla de richtlijn van de gynaecologen er maar op na, bij het hoofdstuk over wat er met het lichaam mag gebeuren als de ouders geen begrafenis en geen crematie willen. Daar staat een term voor. Ik kom er verderop op terug, want ik wil dat je hem eerst zelf verwacht.

Bij tweeëntwintig weken is dat kind ongeveer 27 centimeter en weegt het rond de 500 gram. Het heeft vingerafdrukken. Het beweegt. Het slaapt en het is wakker. Het hoort je stem, je hartslag. Het vertrouwt op jou, zijn moeder. Twee kamers verderop in datzelfde ziekenhuis liggen kinderen van diezelfde leeftijd in een couveuse, en daar staat een team van vier over gebogen, koorstachtig werkend, om ze in leven te houden, met alles wat ze hebben, dag en nacht, weken achtereen. Dezelfde week. Dezelfde gang. Ander besluit.

De methode

Nu komt het deel dat je niet wilt lezen, en ik ga het toch opschrijven, want zij schrijven het ook op, alleen dan in het Latijn.

Er zijn twee manieren.

**De instrumentele afbreking.** In de vakliteratuur heet dat *dilatation and evacuation*. Eerst wordt de baarmoedermond geopend. Dan wordt de baarmoeder leeggehaald. Een kind van tweeëntwintig weken past niet door een geopende baarmoedermond. Niet heel. Dat is geen mening van mij, dat is anatomie. Het wordt er dus niet heel uitgehaald. Het wordt er met een tang uitgehaald, in delen. En omdat het in delen gaat, moet er achteraf gecontroleerd worden of alles eruit is. Men legt de delen naast elkaar en telt of ze compleet zijn.

Kil, klinisch. Alsof je een legpuzzel maakt.

Dat is de ingreep. Dat is wat er staat, ontdaan van het woord evacuatie.

De beroepsvereniging van abortusartsen is inmiddels op werkbezoek geweest in Groot-Brittannië om te leren hoe collega’s daar instrumenteel afbreken ná tweeëntwintig weken. Dat staat gewoon in hun eigen vakblad. Ze zijn op cursus geweest.

Er is nog een methode: De medicamenteuze afbreking. Dan wordt de bevalling opgewekt. Het kind komt heel ter wereld. En hier moet je heel goed lezen, want dit is niet mijn zin, dit is die van hen: het kind komt “niet zelden” levend ter wereld.

Niet zelden.

Dat is de formulering van de beroepsvereniging zelf. Zij weten het. Ze hebben het opgeschreven. Ze beginnen er toch aan.

En dan ligt het er

Stel je de kamer voor. Want dat is wat niemand vandaag doet: zich de kamer voorstellen. Een verlosafdeling. Verpleegkundigen die daar zijn gaan werken omdat ze van geboortes houden. Een vrouw die net bevallen is. En een kind dat ademt.

Wat gebeurt er dan?

Nergens staat het. Niet in de wet, niet in het protocol, niet in een Kamerstuk. Onder de vierentwintig weken bestaat er geen aangifteplicht. Geen verplichting tot begraven of cremeren. En in de richtlijnen van de gynaecologen staat, tussen de opties voor wat er met het lichaam mag gebeuren, de term “anonieme vernietiging”.

Daar is hij. Dat is de term. Dat is de container.

Ik heb hem niet verzonnen, ik heb hem opgezocht. Hij staat er gewoon, tussen begraven en cremeren, als derde mogelijkheid, in nette lettertjes, in een document dat door artsen is geschreven voor artsen. Je mag zelf beslissen of je dat een prettige uitdrukking vindt. Ik weet wat ik ervan vind.

En dan dit: als het kind langer dan vierentwintig uur leeft, dán is aangifte wél verplicht. Dan bestaat het.

Lees die twee zinnen nog eens naast elkaar.

Er is dus een klok. Er is een raam van vierentwintig uur waarin een ademend kind juridisch geen kind is. En niemand – geen inspectie, geen minister, geen wetgever – heeft opgeschreven wat er in dat raam met dat kind gebeurt of hoort te gebeuren.

Bij afbreking ná vierentwintig weken is het overlijden een niet-natuurlijke dood. Dan komt de gemeentelijke lijkschouwer. Dan gaat er een melding naar het Openbaar Ministerie. Zes dagen eerder: niets. Geen schouwer, geen melding, geen dossier. De waanzin.

Dus vraag ik het maar hardop, want de kranten van vandaag doen het niet:

**Krijgt het kindje eerst een injectie in het hart, of niet?**

In vaktaal heet dat foeticide. Een net woord, dat je in een protocol kunt zetten zonder dat er iemand van schrikt. Maar in gewone taal is het dit: een naald gaat door de buik van de moeder, door de wand van de baarmoeder, tot in het hartje van het kind. Of in de navelstreng. Er gaat een middel in. Het hartje stopt. En pas dáárna begint de ingreep. Dat gebeurt niet omdat het kind ziek is. Dat gebeurt omdat men weet dat het anders leeft.

In Engeland is die injectie vanaf tweeëntwintig weken de aanbeveling, en er staat gewoon bij waarom: om te voorkomen dat er straks een levend kind ligt. Niet om het kindje iets te besparen. Om het personeel iets te besparen. Dan heb je je prioriteiten niet echt op een rijtje, wat mij betreft.

Het personeel wordt iets bespaard. Het kindje wordt niet gespaard.

Doen we dat hier? Ja of nee. Twee mogelijkheden, en ze zijn allebei ondraaglijk.

Doen we het wél – dan is het uitgangspunt van de behandeling dat het kind gedood moet worden vóórdat het geboren kan worden, omdat men wéét dat het anders leeft.

Doen we het níet – dan is de uitkomst een ademend kind op een verloskamer, in een land dat daar niets over heeft geregeld. En dan zijn we allang niet meer bezig met abortus, maar met iets heel anders. Er is een woord voor, en niemand durft het in de mond te nemen.

Ik wel. Babymoord.

Wie heeft dit besloten

Niemand.

Dat is het antwoord. Er is geen wet veranderd. Er is geen Kamermeerderheid geweest. Er is geen maatschappelijk debat gevoerd. Er is geen referendum, geen commissie, geen enkel moment waarop dit land, dat toch zo van zijn zorgvuldigheid houdt, hardop heeft gezegd: ja, dit willen we.

Wat er is gebeurd, is dit. In 2022 stuurde de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd een brief aan de beroepsverenigingen met het verzoek om met oplossingen te komen voor het hiaat. De beroepsverenigingen hebben nagedacht. En hun oplossing is een pilot. Een pilot. Alsof het gaat om een nieuw model kartonnen doos.

Vier keer. In het OLVG. Om even te kijken hoe het bevalt. Bizarre zin overigens “ om te kijken hoe het bevalt”. Die woordspeling heb ik niet gezocht. Die lag er gewoon.

Zo gaat dat. Niet met een debat, maar met een proef. Niet met een wet, maar met een protocol. Niet met een besluit, maar met een verkenning. En tegen de tijd dat de Kamer erover praat – draait het al, en heet het staand beleid, en is de vraag niet meer *of* maar *hoe*, en dan ben je te laat. Zo verschuift een grens. Nooit met een klap. Altijd met een pilot.

Ik ben hier misselijk van. Fysiek misselijk. Dat is geen argument en dat weet ik ook wel, maar ik ga het niet weglaten, want ergens in de vergaderzaal waar dit bedacht is, is de misselijkheid ook weggelaten, en kijk waar het ons heeft gebracht.

We hebben een land gebouwd waarin een vrouw die haar zwangerschap na tweeëntwintig weken niet ziet zitten omdat het even niet uitkomt, straks in een ziekenhuis terecht kan. En we hebben datzelfde land niet zo ver gekregen dat het diezelfde vrouw op tijd iets anders had kunnen aanbieden.

We noemen dat een oplossing. Het is een gat. Daar hebben ze gelijk in.

Maar het gat zit niet in de wet. Het zit in de toegepaste ethiek. En in het geweten van wie het uitvoert.

Bronnen


Ontdek meer van Mijn leven in zijpaden

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *