Snoeren met een glimlach

Niet bedoeld om een punt te maken, maar om een punt te zetten

Soms heb je van die dagen dat dingen net iets meer onder je huid kruipen dan anders.

Je zegt iets. Iets wat je echt bezighoudt, iets waar je over hebt nagedacht. En dan zegt iemand, met een glimlach:

“Leven en laten leven.”

En daar sta je dan. Gesprek klaar. Niet omdat je ongelijk hebt gekregen – er is niet eens iets weerlegd. Er is alleen een deur dichtgegaan. Heel vriendelijk. Zonder één onaardig woord.

Ik krijg altijd al de kriebels van dat soort zinnetjes, en er zijn dagen dat ik het ronduit irritant vind. Ik hou van goede gesprekken. Met diepgang, met inhoud, soms op het scherpst van de snede.

Want kijk eens wat zo’n zin eigenlijk doet.

Hij weerlegt niets. Hij denkt niet mee. Hij vraagt niets. Hij zegt: hier praten we niet verder over. En – dit is het venijnige – als jij tóch doorgaat, ben jij degene die zich misdraagt. De zin is immuun voor tegenspraak, geen speld tussen te krijgen. Want wie is er nou tegen leven en laten leven? Alleen een onverdraagzame zeur die doordramt.

Zo word je vriendelijk de mond gesnoerd. Geen ruzie, geen verwijt, geen etiket. Gewoon een deur die dichtgaat, met een glimlach.

En er zijn er meer. Een hele familie.

“Ieder z’n mening.” Klinkt ruimhartig, betekent: ik ga hier niet op in.

“Wie ben ik om te oordelen?” Klinkt bescheiden. Is een machtszet – want wat de ander werkelijk zegt is: jij hebt blijkbaar wél geoordeeld, en dat is nu jouw probleem.

“We zijn toch allemaal mensen.” Onweerlegbaar, en precies dáárom leeg.

“Het is nu eenmaal zo.” Vertaalt: ik ga er niets aan doen en jij ook niet.

Holle kreten, voor mij. Zonder inhoud. Niet bedoeld om een punt te maken, maar juist om een punt te zetten achter wat iemand zegt. Heel beschaafd en stuk voor stuk beleefd, stuk voor stuk redelijk. En stuk voor stuk die deur die dichtgegooid wordt.

En voor ik hier te hoog van de toren blaas: ik doe het zelf ook. Niet met deze zinnetjes, maar dan met zwijgen. Ik lijk online altijd heel verdraagzaam en vriendelijk, maar ik kan je vertellen dat ik de afgelopen jaren menig keer op mijn handen heb moeten zitten om niet te zeggen wat er eigenlijk door mijn hoofd ging. Geloof me, voor iemand die haar hart op de tong heeft, is dat een marteling. Het heeft te maken met de aard en het doel van het account dat ik beheer – dat is van de stichting. Zo’n tachtig procent van de tijd verwoordt het de standpunten van het hele bestuur; de andere twintig procent ben ik, direct, of hier op Substack. Als voorzitter streef ik naar nette, strakke communicatie. Wel met een menselijke toon, geen kunstmatig opgedreunde kleurloze mededelingen. Maar het blijft zwijgen en op het puntje van mijn tong bijten waar ik soms zou willen spreken. Dus ik ben niet onbekend met de verleiding. De deur dichtdoen is makkelijker dan hem openhouden.

Maar er is er één die ik het gemeenste vind van allemaal. Eentje die zich niet vermomt als tolerantie, maar als geduld.

“We wachten het wel even af.”

Klinkt bezonnen. Verstandig zelfs. Niet te snel oordelen, rustig blijven. Maar er komt nooit een moment waarop iemand zegt: zo, we hebben lang genoeg gewacht, laten we het er nu over hebben. Het afwachten ís het antwoord. En juist dan gaan al mijn stekels overeind staan.

Want ineens ben ik degene die ongeduldig is. Die drammerig doet. Die niet even rustig kan blijven. De ander heeft zichzelf de rol van de kalme, verstandige toebedeeld – en mij die van de doordrammer.

Ik hoor die zin veel, te vaak. Bij loketten. Bij instanties. In spreekkamers. Overal waar iets in behandeling is en niemand blijkbaar haast heeft, behalve degene die zit te wachten.

En daar wordt het geen dooddoener meer. Daar wordt het gevaarlijk. Want bij een verjaardag is een dichte deur vervelend. Bij een dossier is het een aanvraag die blijft liggen. Bij leefgeld dat niet toereikend is, is het twee weken geen eten. En bij een hart is het – nou ja. Afwachten.

Ik weet het: dit klinkt alsof ik niet tegen een beetje beleefdheid kan of dat ik ruzie wil maken. Maar dat is het niet. Een gesprek beëindigen mag. Geen zin hebben mag. “Ik wil het hier niet over hebben” is een volstrekt eerlijk antwoord, en daar heb ik alle respect voor. Sterker nog, dat is een deur die ik meteen accepteer, want ik weet waar ik sta.

Wat me stoort is die vermomming. Dat de deur wordt dichtgedaan met een zin die klinkt als wijsheid, als tolerantie, als geduld – terwijl het gewoon een deur is. En dat ik daarna maar weer eens op mijn handen moet gaan zitten.

Er is niets moois gebeurd. Er is niet geluisterd.


Ontdek meer van Mijn leven in zijpaden

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *