Maar ik besta zelf ook nog

Over werk dat je identiteit wordt en de vraag wie je bent als je het neerlegt

Volgende maand bestaat de stichting vier jaar. Vier jaar waarin ik er zeven dagen per week mee bezig ben geweest. Was het niet op mijn scherm, dan zat het wel in mijn hoofd.

Ergens in die jaren ben ik opgehouden met werken vóór de stichting. Ik werd de stichting. Het werd mijn identiteit.

Wanneer je ergens voor werkt, voer je taken uit. Je hebt een functie, verantwoordelijkheden en, als het goed is, ook grenzen. Aandachtspuntje voor mij.
Je doet je werk zo goed mogelijk en daarna leg je het neer. Misschien denk je er ’s avonds nog eens over na. Misschien werk je een keer door omdat iets dringend is. Maar uiteindelijk blijft het werk iets wat je dóét.

Het hoort niet te worden wie je bent. Bij mij gebeurde dat wel.

Ik ben nu op het punt gekomen dat ik zie dat het niet gezond is. Maar de menselijke geest is gecompliceerd. In je hoofd kunnen twee tegengestelde gedachten tegelijkertijd bestaan. Je kunt denken: dit kan zo niet langer, en toch niet in staat zijn om te stoppen. Die gedachten heffen elkaar niet op. Ze bestaan naast elkaar en trekken ieder aan een arm. De ene wil je redden door te stoppen. De andere denkt je te beschermen door door te gaan.

Ik dacht al veel langer: dit kan zo niet langer, er moet iets veranderen. Maar tussen die gedachte en de conclusie dat je misschien moet stoppen, ligt nog een hele wereld.
Een wereld van afwegen, soul-searching en zo eerlijk mogelijk kijken naar jezelf en naar de stichting.
Naar de verwachtingen die je had, het beeld dat je in je hoofd hebt opgebouwd van wat het zou moeten worden en de werkelijkheid zoals die nu eenmaal is.
Stoppen is daarom niet iets wat ik binnen een paar minuten kan besluiten.

Mijn verstand flirtte zo nu en dan al met die gedachte, ergens op de achtergrond. Alleen is het flirten inmiddels stalken geworden. De gedachte laat me niet meer met rust en dwingt me de situatie onder ogen te zien, ook al wil ik dat liever niet. Maar het leven heeft zo zijn trucjes om je duidelijk te maken dat je ergens niet langer omheen kunt.

Vandaar mijn sabbatical maand.

Ik wil in alle rust kunnen nadenken wat de conclusie aan het eind van de maand ook gaat worden. Want gewoon de stekker uit het stopcontact trekken, klinkt eenvoudig zolang je denkt dat het slechts een administratieve handeling is: agenda leegmaken, sleutels inleveren en klaar ermee. Zo werkt het voor mij niet. Wanneer iets is vergroeid met je verantwoordelijkheidsgevoel, je identiteit en je manier om grip te houden, vraagt stoppen veel meer dan de mededeling: ik stop ermee.

Van werken voor de stichting naar de stichting worden, gebeurde dan ook niet van de ene op de andere dag. Ik ben niet op een ochtend opgestaan met het besluit mijn volledige identiteit te laten samensmelten met een organisatie. Zoiets gebeurt veel meer geleidelijk. Het gaat in kleine stappen die op zichzelf allemaal logisch, menselijk en zelfs noodzakelijk lijken.

Eerst zie je een probleem.
Iemand heeft geen eten.
Een gezin raakt tussen instanties vermalen.
Een bewindvoerder doet zijn werk niet.
Een cliënt wordt van het kastje naar de muur gestuurd en niemand lijkt zich werkelijk af te vragen hoe diegene vanavond moet eten.

Ik kan daar slecht tegen.

Dat bedoel ik zeker niet als compliment aan mezelf want het legt ook een zwakte bloot in mij. Zodra ik zie dat er iets verkeerd gaat, begint er iets in mij te bewegen. Dan moet ik dat fixen.
En als het om de stichting gaat, weet ik vaak ook welke stappen ik moet zetten.

Een mail sturen.
Een dossier uitzoeken.
Een donatieactie beginnen.
Een bewindvoerder achter zijn vodden zitten.
Een aanvraag beoordelen.
Een uitzondering maken.
Nog een maand hulp geven.
Toch nog even kijken of er ergens geld te vinden is.

In het begin komt dat voort uit de gedachte: ik wil helpen. Maar ergens onderweg verandert dat. Dan wordt het: als ik het niet doe, gebeurt het niet.
En daarna: als ik het niet doe en het gaat mis, heb ik iemand laten vallen. Volgens mij zit daar een kantelpunt. Op het moment dat helpen niet langer een keuze is, maar een innerlijke verplichting wordt, verandert ook je verhouding tot het werk. Formeel ben je misschien voorzitter, vrijwilliger of oprichter. In je hoofd ben je verantwoordelijk geworden voor de afloop van alles.

Niet alleen voor wat je zelf doet, maar ook voor wat anderen nalaten. Dat is een onmogelijke verantwoordelijkheid, maar op dat moment voelt hij niet onmogelijk.
Hij voelt noodzakelijk voor mij. Het ingewikkelde is bovendien dat mijn ingrijpen vaak werkelijk verschil maakte. Dat is geen grootspraak.

Mensen kregen eten. Kinderen kregen spullen. Mensen kregen kleding. Er werden fouten ontdekt en situaties rechtgezet. Mensen die nergens terechtkonden, werden gehoord. Improviseren, out of the box denken, buiten je taakomschrijving gaan, dan betekent het dat je dingen voor elkaar krijgt.
Dus iedere keer dat ik ingreep en het hielp, kreeg ik onbewust bewijs dat mijn manier de juiste was.
Zie je wel, dacht iets in mij. Het was nodig dat ik ertussen sprong. En vaak wás dat ook nodig. Precies daarin zat de val.

Maar niet alleen omdat mijn manier resultaat opleverde. Er zat ook een persoonlijke opbrengst in. Wanneer iets lukte, voelde ik opluchting, voldoening en grip. Ik had niet machteloos staan toekijken. Ik had iets veranderd. Een probleem dat eerst onbeheersbaar leek, was door mijn handelen kleiner geworden of soms zelfs opgelost. Dat gevoel deed iets met mij. Het gaf me focus, richting, betekenis. Het bevestigde dat mijn aanwezigheid verschil maakte in de wereld, al was het maar op een postzegel.

Ik claimde mijn plekje op de wereld. Niet door alleen aanwezig te zijn, maar door iets te betekenen. Daar zat voor mij misschien wel de krachtigste beloning: het gevoel dat ik er mocht zijn.
Die beloning was intern, zat in mij, in het gevoel dat ik ertoe deed.
Misschien raakt dat aan iets wat veel ouder is dan de stichting. Aan een stem die al vroeg op de achtergrond is ontstaan.
De stem die zegt dat mijn aanwezigheid niet vanzelfsprekend was.
Dat ik hier eigenlijk niet had mogen zijn en mijn plek dus moest verdienen.

De stichting gaf mij natuurlijk geen bestaansrecht. Dat had ik al. Rationeel wist ik dat. Maar zij gaf mij wel het gevoel dat ik mijn bestaansrecht verdiende. Omdat ik iets deed. Omdat ik nodig was. Omdat mijn aanwezigheid aantoonbaar verschil maakte.
Dat is een krachtige beloning. In mijn geval misschien wel de krachtigste die ik kon krijgen.

Want als ingrijpen niet alleen de ander helpt, maar mij als helper ook grip, richting, betekenis en bestaansrecht geeft, wordt niet ingrijpen ineens veel moeilijker. Ik moet ook accepteren dat ik het gevoel dat ik er mag zijn ook ergens in zal moeten vinden.

Niet in wat ik oplos.
Niet in wie mij nodig heeft.
Niet in hoeveel ik bereid ben op mijn rug te dragen.

Kortom: oplossen van problemen werd ook een manier om die oude stem niet het zwijgen op te leggen, maar wel een stuk meer naar de achtergrond te verdringen.

Feit is dat ik er waarschijnlijk sneller mee was gestopt wanneer mijn bemoeienis nergens toe had geleid. Eerlijk is eerlijk. Maar juist omdat ik goed ben in wat ik doe, werd het steeds moeilijker om het níét te doen. Zo werd ook mijn competentie een valkuil. Hoe vaker ik iets oploste, hoe meer er op mijn bord terechtkwam. Hoe vaker ik het overzicht hield, hoe meer anderen ervan uit konden gaan dat ik het overzicht wel zou blijven houden. Hoe vaker ik ingreep voordat iets misliep, hoe minder zichtbaar het werd hoeveel werk ervoor nodig was om te voorkomen dat het misging.

Op den duur wist ik wie wat nodig had, wanneer een traject afliep, welke cliënt een paar schoenen had gekregen, bij wie een herbeoordeling aankwam, wie onder bewind stond en waar een aanvraag niet klopte. Niet omdat dat allemaal uitsluitend mijn taak was.
Ook niet omdat iemand mij ertoe dwong maar omdat ik het mezelf oplegde.
Ik rekte de grenzen van mijn eigen welzijn steeds verder op, totdat er nauwelijks nog een grens over was. Althans, dat zeggen mijn lijf en mijn hoofd.

Ik stond mezelf niet toe het niet te weten. Want als ik het niet wist, wie dan wel?
En als niemand het wist, of er iets aan deed, wat zou er dan gebeuren?
Dat is waarschijnlijk de vraag die onder veel van mijn handelen heeft gelegen.
Niet hardop, maar als een voortdurend aanwezige onderstroom.

Wat gebeurt er wanneer ik loslaat? Die vraag heb ik deze maand centraal gesteld.
Ik denk dat ik het antwoord altijd al voor mezelf had ingevuld. Dan gaat het mis. Mensen worden vergeten, afspraken worden niet nagekomen.
Problemen worden te laat gezien. Iemand die al door iedereen in de steek is gelaten, wordt opnieuw in de steek gelaten.

Maar daaronder ligt nog een diepere vraag: wat gebeurt er met míj wanneer ik loslaat?

Het is vandaag 6 augustus. Zes dagen van mijn sabbatical zijn voorbij en ik begin sommige dingen helderder te zien. De stichting had in mij geen openingstijden meer, leefde rent free 24/7 in mijn hoofd. Ik lag ermee in bed en stond ermee op ‘s morgens. Dat laatste is misschien wel het meest wezenlijke. De stichting was voor mij namelijk nooit alleen zomaar een organisatie.

Er was een missie en een visie. De stichting stond en staat nog steeds voor iets.

Voor niet wegkijken.
Voor doen wat je belooft.
Voor mensen niet reduceren tot een dossiernummer.
Voor fatsoen.
Voor rechtvaardigheid.
Voor menswaardigheid

Dit zijn meer dan woorden voor mij. Het is iets wat ik probeer na te streven. Streef er naar ieder mens te behandelen zoals je zelf behandeld wilt worden. Lukt uiteraard niet altijd, maar de intentie is er zeker.

Daardoor werd ieder probleem binnen de stichting groter dan zomaar een organisatorisch probleem. Wanneer iets bleef liggen, voelde dat als tekortschieten tegenover de mens die iets nodig had.
Wanneer iemand voor mijn gevoel verantwoordelijkheid niet nam, zag ik dat niet alleen als irritant of onprofessioneel maar het raakte daarmee aan de waarden waar de stichting op was gebouwd.

Ik verwachtte diezelfde onderschrijving van de missie en visie ook ook van anderen.
Ik legde hen langs dezelfde meetlat als waar ik mezelf aan meet.

Wanneer iemand zijn werkzaamheden als werk behandelde, kon dat voor mij voelen alsof het diegene onvoldoende kon schelen. Wanneer iemand iets kon laten liggen tot later begreep ik dat niet. Ik kon dat immers ook niet.

Maar had ik het recht om van anderen te verwachten dat zij dezelfde invulling geven aan hun werk als ik? Het op dezelfde manier voelde als ik? Die vraag kan ik nog niet helemaal beantwoorden en ik zou ‘m voor nu willen begrenzen tot: soms wel en soms niet.

Misschien heb ik daar mensen onbewust mee weggejaagd. Niet omdat ik dat wilde, maar doordat gewoon je werk doen naast mijn manier van werken voor mij al snel kon lijken op onvoldoende betrokkenheid. Soms trok ik te grote schoenen aan. En soms verwachtte ik terecht dat een ander gewoon zijn eigen schoenen aantrok. Misschien verwachtte ik van anderen dat zij net als ik de stichting zouden worden, terwijl zij er eenvoudigweg voor werkten en er een andere invulling aan gaven.

Maar wanneer ik deze maand werkelijk eerlijk naar mezelf wil kijken, kan ik niet alleen onderzoeken wat anderen hebben nagelaten. Dan moet ik ook kijken naar wat mijn manier van functioneren van anderen vroeg. Daarmee zeg ik niet dat alles wat ik heb gedaan verkeerd was. Dat zou net zo oneerlijk zijn als doen alsof het allemaal gezond was.

Er zijn mensen geholpen, er zijn veel dingen gelukt omdat ik verderging waar anderen stopten. Er zijn situaties veranderd omdat ik niet dacht: dat valt buiten mijn functie. Daar ben ik nog steeds trots op.
Maar iets kan waardevol zijn en je tegelijkertijd opslokken. Misschien is dat wel het moeilijkste om te erkennen. Ik hoef het werk dat ik heb gedaan niet af te breken om toe te geven dat ik er zelf in verdwenen ben. Ik kan hier hier natuurlijk heel eenvoudig het etiket ‘redderscomplex’ op plakken. Dan ben ik snel klaar, maar begrijp ik nog steeds niets.

Zo simpel ligt het niet.

Ik wilde geen complimentjes en klopjes op mijn schouder.
Ik wilde dat het geregeld werd.
Ik wilde dat mensen konden eten.
Ik wilde dat niemand door nalatigheid verder in de problemen kwam.
Ik wilde laten zien dat mensen behandelen als mensen de wereld op een postzegel beter kan maken.

Dat waren oprechte motieven. Maar onder die oprechte motivatie zat ook iets anders. De stichting gaf me een taak, een richting en een doel. En misschien verklaart dat waarom rust voor mij steeds minder als rust begon te voelen. Want rust voelde als nietsdoen terwijl er nog zoveel gedaan moest worden. In deze tak van sport houdt het namelijk nooit op. Er is ieder moment een andere crisis, een nieuwe vraag, een volgend probleem. Er komt nooit een dag waarop iedereen geholpen is, alle systemen werken en alle dossiers keurig gesloten kunnen worden. Wanneer je daarop wacht voordat je rust neemt, rust je dus nooit.

Loslaten voelt vandaag nog niet als afstand nemen. En deze sabbatical maand voelt niet als het beëindigen van werkzaamheden, maar als het in de steek laten van mensen. Maar ook als ruimte voor mezelf om tijd aan mij te besteden. Wanneer werk onderdeel van je identiteit is geworden, voelt stoppen, zelfs tijdelijk, alsof je een stuk van jezelf moet afsnijden. Ik onderga het omdat ik wil zien en ervaren wat daarna komt.

De vragen die ik mezelf de rest van deze maand moet stellen, zijn daarom niet eenvoudig.

Wie ben ik wanneer ik niet meer degene ben die alles onthoudt?
Wie ben ik wanneer ik niet meer degene ben die ingrijpt?
Wie ben ik wanneer ik een probleem zie en besluit dat het niet van mij is?
Wie ben ik wanneer ik niet meer nodig ben?

Die laatste is misschien wel de meest pijnlijke vraag.

Ik zie mezelf niet als iemand die voortdurend bevestiging nodig heeft.
Maar er zit een verschil tussen graag belangrijk gevonden willen worden en betekenis ontlenen aan het feit dat je werkelijk iets kunt betekenen.

Ik hoefde niet belangrijk gevonden te worden.

Ik wilde van betekenis zijn.

En de stichting gaf mijn sterke eigenschappen een bestemming.

Mijn koppigheid werd volharding.

Mijn wantrouwen tegenover systemen werd waakzaamheid.

Mijn neiging om alles uit te zoeken werd deskundigheid.

Mijn grote mond werd belangenbehartiging.

Mijn onvermogen om weg te kijken werd daadkracht.

Maar de stichting bracht ook mijn zwakke eigenschappen aan de oppervlakte.

Mijn moeite met grenzen.

Mijn neiging verantwoordelijkheden over te nemen.

Mijn behoefte aan controle.

Mijn onvermogen iets te zien misgaan zonder in beweging te komen.

Mijn verwachting dat anderen dezelfde lat zouden hanteren als ik.

Ik moet mezelf afvragen of ik op dezelfde manier verder kan.

En zo niet, wat dan?

De problemen, vragen en tekortschietende systemen veranderen niet ineens. De mensen om mij heen veranderen niet automatisch mee omdat ik tot een inzicht ben gekomen.

Degene die moet veranderen, ben ik.

En heb ik dat in me?

Kan ik bij de stichting betrokken blijven zonder opnieuw de stichting te worden?

Kan ik verantwoordelijkheid dragen zonder mezelf verantwoordelijk te voelen voor alles?

Kan ik iets uit handen geven en verdragen dat een ander het anders doet dan ik, of niet doet?

Kan ik mijn grenzen bewaken zonder mezelf als hard of nalatig te zien?

Kan ik accepteren dat iets misschien niet gebeurt wanneer ik het niet doe?

Ik wil niet ontkennen wat de stichting tot vandaag voor mij is geweest. Ik wil haar ook niet kleiner maken om het gemakkelijker te maken afstand te nemen.

De stichting heeft betekenis. Voor anderen, maar ook voor mij.

Ik wil opnieuw leren dat iets belangrijk kan zijn zonder dat ik het hoef te worden.

Dat ik verantwoordelijkheid kan nemen zonder verantwoordelijk te zijn voor alles.

Dat ik betrokken kan zijn zonder altijd aan te staan.

Dat ik mag zien dat iets niet goed gaat zonder automatisch degene te worden die het oplost.

Dat mensen teleurgesteld kunnen zijn zonder dat ik iets verkeerd heb gedaan.

Dat anderen een andere manier van werken mogen hebben zonder dat dit automatisch betekent dat het hun niets kan schelen.

Dat een organisatie mag wankelen wanneer iets niet goed gaat en dat dit dan misschien vooral iets zegt over de organisatie.

En vooral dat ik niet ophoud mezelf te zijn wanneer ik stop met het te doen zoals ik het tot nu toe heb gedaan.

Misschien is dat waar ik nu sta. Niet bij een afgerond besluit. Niet bij een keurige conclusie. En al helemaal niet bij een lichtvoetig: ik laat het los. Zo werkt mijn hoofd helaas niet.
Mijn hoofd laat niets los voordat het alles binnenstebuiten heeft gekeerd en er desnoods een compleet onderzoeksrapport over heeft opgesteld.

Maar ik zie het nu wel.
Ik begon ooit een stichting.
En ergens onderweg werd ik de stichting.
Nu moet ik leren dat ik het ook weer kan neerzetten op de plaats waar het hoort.
Niet omdat het niets betekende.

Maar omdat ik zelf óók nog besta.


Ontdek meer van Mijn leven in zijpaden

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

3 reacties

  1. Indrukwekkend om te lezen hoe jij Susan denkt en letterlijk over alles nadenkt pittig hoor . Ik hoop dat je Susan weer laat genieten en laat leven zonder gedachten over van alles gewoon LEEF NU ALLEEN VOOR SUSANNE van het stukje geschreven hierboven ben ik nu al moe geworden. Zie je hoever jij het laat gaan dikke kus van mij .

    1. Hahaha ja, ik snap dat je al moe wordt als je alleen maar leest wat er allemaal door mijn hoofd gaat 😂❤️ Maar dit nadenken voelt voor mij juist niet zwaar. Het helpt me om te begrijpen wat er automatisch gebeurt, zodat ik er niet steeds blind achteraan hoef te rennen. En geloof me: Susan leeft ondertussen ook hoor. Juist weer steeds meer. Dikke kus terug ❤️

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *