Het is zo’n vraag die bijna kinderlijk eenvoudig klinkt: Gaan dieren naar de hemel? Ik kwam die vraag net tegen op social media. En ik denk er zelf soms ook over na.
Misschien komt de vraag op wanneer je dier sterft, of wanneer je weet dat het afscheid van je geliefde huisdier dichterbij komt. Misschien ben je, net als ik, al huisdieren verloren. Misschien vraag je je af of je ooit je hond, kat of paard terug zult zien. Ik vraag me dan af of ik mijn honden Tanja en Sam ook terugzie, en mijn kat Dinky.
En misschien speelt mee dat wij nu weer twee oude honden hebben die van alles mankeren. Wat als ik ze los moet laten? Ik wil er niet te veel bij stilstaan. Je weet dat die dag ooit komt, maar dat dubbele verdriet… oef, ik moet er niet aan denken.
En een antwoord op de vraag of ik ze allemaal ooit nog terug zal zien, heb ik nooit echt kunnen vinden.
Zoveel mensen, zoveel meningen:
Dieren hebben geen ziel.
Alleen mensen gaan naar de hemel.
Maar is dat eigenlijk wel zo simpel? Laten we kijken wat de Bijbel erover zegt.
Je ontdekt dan al snel dat de Schrift nergens letterlijk zegt dat onze huisdieren na hun dood naar de hemel gaan. Maar opvallend genoeg zegt de Bijbel óók nergens dat dieren bij hun dood voorgoed buiten Gods toekomstige herstel van de schepping vallen.
Dat maakt de vraag interessanter dan hij op het eerste gezicht lijkt.
Eerst maar eens: hebben dieren een ziel?
Een veelgehoorde uitspraak is dat mensen een ziel hebben en dieren niet.
Maar iedereen die ooit een huisdier heeft gehad, weet hoeveel liefde een dier kan geven, en ook hoeveel liefde het kan ontvangen. Een dier kan blij zijn je te zien, je opzoeken als je verdrietig bent, vertrouwen geven en zelf vertrouwen nodig hebben. Wie jarenlang met een dier samenleeft, weet dat daar een echte band ontstaat. Niet omdat wij die erin fantaseren, maar omdat je die band gewoon ervaart.
En juist daarom vind ik de uitspraak dat een dier “geen ziel” zou hebben altijd wat al te makkelijk klinken.
Wat zegt de Bijbel daar eigenlijk zelf over?
De Bijbel geeft wel aan dat dat onderscheid minder vanzelfsprekend is dan vaak wordt gedacht.
In de HSV luidt Genesis 2:7: “toen vormde de HEERE God de mens uit het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen.“
In Genesis 1 wordt voor dieren meerdere keren het Hebreeuwse nephesh chayyah gebruikt, onder meer in vers 20, 21 en 24, meestal vertaald als “levend wezen”.
Opvallend is dat precies dezelfde woordcombinatie in Genesis 2:7 ook voor de mens wordt gebruikt: de mens werd een nephesh chayyah, een levend wezen.
Dat betekent niet dat mens en dier volgens Genesis hetzelfde zijn. De mens wordt immers geschapen naar Gods beeld. Maar het maakt de bekende uitspraak “mensen hebben een ziel, dieren niet” wel een stuk minder vanzelfsprekend.
Mens en dier hebben dezelfde levensadem
Prediker maakt het nog ongemakkelijker voor wie het onderscheid heel scherp wil trekken.
In Prediker 3:19–21 staat: 19 Want wat de mensenkinderen overkomt, overkomt ook de dieren. Hun overkomt een en hetzelfde. Zoals de een sterft, zo sterft de ander, en zij hebben alle een en dezelfde adem. De mensen hebben niets voor op de dieren, want alles is vluchtig. 20 Zij gaan allen naar één plaats: zij zijn allen uit het stof en zij keren allen terug tot het stof. 21 Wie merkt op dat de adem van de mensenkinderen naar boven stijgt en de adem van de dieren naar beneden daalt naar de aarde?
En daarna volgt een opmerkelijke vraag:
Het Hebreeuwse woord dat hier wordt gebruikt is ruach. Dat kan onder andere wind, adem of geest betekenen.
Prediker zegt hier niet: dieren gaan naar de hemel. Maar hij zegt ook niet: Bij mensen gaat er iets naar God en bij dieren bestaat er niets wat daarmee vergelijkbaar is.
Integendeel. Mens en dier worden hier opvallend dicht naast elkaar gezet.
Beiden leven door Gods levensadem.
Beiden sterven.
Beiden keren lichamelijk terug tot het stof.
Dat alleen al zou ons misschien wat voorzichtiger moeten maken met stellige uitspraken over wat dieren na hun dood wel of niet zouden zijn.
God sloot zelfs een verbond met dieren
Er is nog iets bijzonders. Na de zondvloed sluit God een verbond met Noach. Maar niet alleen met Noach.
In Genesis 9 zegt God meerdere keren dat Zijn verbond geldt voor Noach, zijn nakomelingen én alle levende wezens. De vogels, het vee, de dieren van de aarde.
Dat betekent natuurlijk niet dat dieren op dezelfde manier een verbondsrelatie met God hebben als mensen.
Maar het laat wel iets zien. Dieren zijn in de Bijbel niet alleen achtergronddecor in het menselijke verhaal.
Ze maken deel uit van Gods schepping. Hij noemt ze, en Hij zorgt voor ze. Hij betrekt ze in Zijn verbond met de aarde.
De schepping wacht op verlossing
De schepping zelf wordt bevrijd: In Romeinen 8:21–22 schrijft Paulus: 21 in de hoop dat ook de schepping zelf zal bevrijd worden van de slavernij van het verderf om te komen tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God. 22 Want wij weten dat heel de schepping gezamenlijk zucht en gezamenlijk in barensnood verkeert tot nu toe.
Heel de schepping zucht onder vergankelijkheid en zal uiteindelijk bevrijd worden van de slavernij van het verderf. Dat omvat ook de natuurlijke wereld en de dieren, al zegt Paulus hier niet dat ieder individueel dier persoonlijk zal worden opgewekt. Paulus beschrijft Gods reddingswerk niet als een soort evacuatieoperatie waarbij menselijke zielen uit een mislukte wereld worden gehaald.
De schepping zelf wordt bevrijd.
Dezelfde schepping die nu onder vergankelijkheid, lijden en dood gebukt gaat.
Er staat niet: God vernietigt uiteindelijk Zijn schepping en neemt alleen een aantal mensen mee naar elders.
Maar: God herstelt wat door zonde en dood is aangetast.
Een nieuwe hemel én een nieuwe aarde
Ook daarom is de vraag gaan dieren naar de hemel? misschien niet helemaal de juiste vraag.
Het uiteindelijke Bijbelse toekomstbeeld is namelijk niet dat mensen voor eeuwig ergens zwevend in een geestelijke hemel verblijven.
Openbaring spreekt over: een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Openbaring 21:1-4 spreekt hierover: 1 En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan. En de zee was er niet meer. 2 En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, neerdalen van God uit de hemel, gereedgemaakt als een bruid die voor haar man sierlijk gemaakt is. 3 En ik hoorde een luide stem uit de hemel zeggen: Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen zijn en hun God zijn. 4 En God zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal er niet meer zijn; ook geen rouw, jammerklacht of moeite zal er meer zijn. Want de eerste dingen zijn voorbijgegaan.
Met het “nieuwe Jeruzalem” grijpt Openbaring terug op Jeruzalem als de plaats van Gods aanwezigheid. De stad wordt bovendien voorgesteld als de bruid van het Lam: Gods volk in de voltooide, vernieuwde schepping.
God komt wonen bij de mensen. De richting is uiteindelijk niet alleen: mens → hemel maar ook: God → vernieuwde schepping.
En dat maakt een andere vraag misschien veel interessanter: Zullen er dieren zijn in Gods nieuwe schepping?
Daar lijkt de Bijbel een veel duidelijker antwoord op te geven.
Een wereld waarin dieren opnieuw aanwezig zijn
De profeten schilderen Gods komende vrederijk herhaaldelijk af met dieren erin. En hoe!
Jesaja 11:6-9 schrijft: Een wolf zal bij een lam verblijven, een luipaard bij een geitenbok neerliggen, een kalf, een jonge leeuw en gemest vee zullen bij elkaar zijn, een kleine jongen zal ze drijven. 7 Koe en berin zullen samen weiden, hun jongen zullen bij elkaar neerliggen. Een leeuw zal stro eten als het rund. 8 Een zuigeling zal zich vermaken bij het hol van een adder, en in het nest van een gifslang zal een peuter zijn hand steken. 9 Men zal nergens kwaad doen of verderf aanrichten op heel Mijn heilige berg…”
Nu is het heel goed mogelijk dat hier profetische beeldspraak wordt gebruikt. De wolf en het lam beelden dan vrede uit waar eerst vijandschap was. Maar zelfs wanneer het beeldspraak is, blijft er iets opvallends.
Wanneer Jesaja een beeld geeft van Gods toekomstige vrede, verdwijnen de dieren niet uit beeld. Integendeel, ze horen erbij.
Hoe mooi is dat. Mens en dier bevinden zich samen in een schepping waarin geweld en vernietiging niet langer de laatste woorden zijn.
En hoe zit het dan met míjn hond of kat?
En dan komen we natuurlijk bij de vraag die voor veel mensen eigenlijk achter deze hele discussie zit.
Niet: Zijn er straks dieren? Maar: Zie ik mijn eigen hond, kat terug?
Het dier waar ik zoveel van hield, dat jarenlang onderdeel van mijn gezin was.
Het dier waarvan ik precies wist hoe het keek, liep, sliep en reageerde wanneer ik thuiskwam.
Daar wordt het antwoord moeilijker. Want daarover zegt de Bijbel eenvoudigweg niets rechtstreeks.
Er staat nergens: Je zult je overleden huisdieren terugzien. Wie dat als Bijbelse zekerheid verkondigt, gaat verder dan de tekst.
Maar hetzelfde geldt voor iemand die zegt: Dat kan absoluut niet. Ook daarvoor bestaat geen duidelijke Bijbeltekst.
En misschien is dat precies waar we het moeten laten. Niet alles wat God gaat doen, is ons verteld.
Ik persoonlijk hou me vast aan het onderstaande:
“Zie, Ik maak alle dingen nieuw”
Aan het einde van Openbaring 21:5 zegt God: “En Hij Die op de troon zit, zei: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zei tegen mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en betrouwbaar.”
Er staat niet: Zie, Ik maak allemaal andere dingen. Maar: Ik maak alle dingen nieuw.
De Bijbelse geschiedenis begint met een schepping die God goed noemt. Mensen en dieren. land en zee. Planten en alles wat leeft onder Zijn zorg.
Daarna komt de dood binnen, de vergankelijkheid. Lijden en verlies.
Maar de Bijbel eindigt niet met God die Zijn oorspronkelijke werk afdankt.
Hij maakt nieuw.
Hij herstelt.
Hij bevrijdt.
Kunnen we het zeker weten?
Nee. Wie mij vraagt: “Zijn er dieren in Gods toekomstige wereld?”
Ik zou zeggen: Daar lijkt de Bijbel naar mijn idee heel duidelijk op te wijzen.
Maar wie vraagt: “Zal mijn eigen overleden dier daar ook zijn?”
Daar kan ik geen Bijbeltekst onder zetten waarmee ik dat voor honderd procent kan beloven, ik kan het alleen hopen.
Ik kan alleen zeggen: de Bijbel geeft mij ook geen reden om het onmogelijk te verklaren.
En misschien moet ik het nu daarmee doen. Misschien mag ik eenvoudig erkennen dat dieren volgens de Bijbel veel meer zijn dan biologische machines die toevallig een tijdje met ons meelopen. Ze zijn levende wezens, door God geschapen. Levende wezens waar wij van houden en die zeker een band met ons hebben.
En ook zeker door God zijn gezien. Ze zijn onderdeel van Zijn schepping.
Een schepping waarvan Paulus zegt dat zij op bevrijding wacht.
Of ik al mijn dieren dan weer zal zien, dat weet ik niet. Maar ik mag er zeker wel op hopen.
Want misschien is Gods herstel van Zijn schepping uiteindelijk veel groter dan wij ons nu kunnen voorstellen.
Ontdek meer van Mijn leven in zijpaden
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.