Gitzwarte ogen. De dag waarop ik het paranormale achter me liet

De nacht ervoor had er al een flinke barst gezeten in alles waarvan ik dacht dat ik het wist over de paranormale wereld. Toch wist ik toen nog niet dat het echte kantelpunt pas een dag later zou komen. Ik dacht dat ik het ergste inmiddels wel had gehad.

Dat had ik mis.

Het liet me niet los. Wat ik de nacht ervoor had gezien en gevoeld. Mijn brein leek wel vast te zitten in een soort loop. En het laatste wat ik wilde, was dit ooit nog een keer meemaken.

Mijn gedachten leken voortdurend over twee sporen te lopen. Het ene spoor vroeg zich af of we misschien met een psychisch probleem te maken hadden gehad. Het andere bleef hangen bij de gedachte dat dit een negatieve paranormale ervaring van een geheel nieuwe orde was geweest.

Maar wat nu?

Ik kon haar in geen van beide gevallen in de steek laten. En ik wilde haar al helemaal niet laten merken dat zij mij, geheel onbedoeld, ontzettend veel angst had aangejaagd. Dat vond ik niet fair tegenover haar.

Nog even leunend op wat ik dacht te weten, belde ik iemand. Een gerenommeerde naam binnen de spirituele wereld, iemand met ervaring met dit soort manifestaties. En eigenlijk wilde ik maar één ding horen: Bel een dokter. Dit heeft een medische oorzaak. Die bevestiging kreeg ik niet.

Ik kreeg het tegenovergestelde: een waarschuwing.

Natuurlijk wist ik ook dat die waarschuwing gekleurd werd door wat die persoon zelf geloofde. Tegelijkertijd was het iets waar ik op dat moment geen handen en voeten aan kon geven.
Het enige wat ik uiteindelijk nog kon bedenken was bij gebrek aan een voor mij logische verklaring: het moet in haar huis zitten. En als het in haar huis zat, dan moest dat huis worden gereinigd van negatieve energie.

Energie, tja. Die van mij was op dat moment in ieder geval niet bepaald geschikt voor zo’n onderneming. Dus gingen we met iemand anders naar haar huis. Kaarsen werden gebrand. Aartsengelen werden te hulp geroepen om datgene weg te sturen wat er niet thuishoorde. De sfeer veranderde, en het huis voelde rustig. We dronken koffie en gingen optimistisch weer naar huis.

Dit moest toch de oplossing zijn geweest.

Het paste precies in alles wat ik tot nog geen achtenveertig uur daarvoor had geloofd. Mijn vertrouwen kwam weer een beetje terug. Ik viel weer een beetje terug in mijn oude patroon. Alleen zat er nog steeds dat stemmetje ergens achter in mijn hoofd. Het wilde maar niet zwijgen, ik deed alsof ik het niet hoorde.
Want dit was hoe het in elkaar zat. Dit was hoe de uitkomst hoorde te zijn.

Licht overwint duisternis. Te allen tijde.

De rest van de dag verliep zonder problemen. Vroeg in de avond belde ik haar nog even. Alles was oké, zei ze. Ze liet me zien dat ze zo’n sterrenprojector had gekocht voor op haar plafond. De kamer was zacht verlicht, de muziek stond aan en er brandden kaarsjes. Het zag er gezellig en knus uit.

En toch…

Daar was dat stemmetje in mijn hoofd weer. En opnieuw negeerde ik het.

De rust duurde deze keer niet lang.

Nog geen uur later belde ze. Alles was terug. Ze was zó bang.
Deze keer was ze zo hysterisch dat het niet eens bij me opkwam haar te vragen het op beeld te laten zien.

Ik zei tegen mijn man dat hij haar moest gaan halen. Inmiddels was ik vastbesloten: zodra ze bij ons was, zou ik medische hulp inschakelen. Want iets anders dan dat kon het in dit geval toch niet meer zijn?

Toch?

Terwijl ik haar nog aan de telefoon had, ging ze vreselijk tekeer tegen dat wat zij niet kon zien.

Vloeken. Tieren. Uitdagen. Je leest het goed: uitdagen.

“Kom op dan! Ik ben niet bang voor je!” hoorde ik haar door de telefoon schreeuwen.

Ik probeerde zelf rustig te blijven en haar te kalmeren. Ik bleef herhalen dat ze wat spullen bij elkaar moest pakken en dat mijn man eraan kwam. Mijn pogingen waren tevergeefs. En op een gegeven moment werd ik boos.

“Luister naar me. Je moet NU je jas en je spullen pakken en naar buiten gaan. Wacht maar voor de deur. Hij komt eraan.”

Ik wilde haar uit dat huis hebben. Zonder nog iets te zeggen verbrak ze de verbinding. Mijn hart zat weer in mijn keel. Wat zou mijn man aantreffen als hij daar aankwam?
Ik ging in het zijkamertje zitten en stak met trillende handen een sigaret op.
Vanuit dat kamertje keek ik zo de gang in, richting de voordeur.

Ik hoorde de sleutel in het slot.

Gek eigenlijk, hoe alles verscherpt bij je binnenkomt wanneer je zo op je hoede bent. De deur ging open. Zij liep de gang in, gevolgd door mijn man.

Een muur van haat kwam op me af.

Als een golf die je overspoelt.
Ik stond onmiddellijk op scherp.
Ik herkende dit.
Dit was hetzelfde als de nacht ervoor.

Maar in plaats van naar mij toe te lopen, sloeg ze zonder iets te zeggen rechtsaf en liep de huiskamer in.

Achter haar schudde mijn man alleen maar zijn hoofd naar me. Nee, alsof hij bevestigde dat het ‘niet goed ging’ met haar maar het niet hardop uit wilde spreken in haar aanwezigheid.
Daarna kwam hij naar me toe en zei inderdaad: “Het gaat echt niet goed met haar.”
Ik kon hem alleen maar aankijken. Je gaat ook niet uitgebreid over haar staan praten terwijl zij een paar meter verderop in de woonkamer zit.

Ik was inmiddels vastbesloten dat ik een dokter voor haar moest bellen. Toch liep ik aarzelend naar de woonkamer. Ik moest weten hoe ze er aan toe was voordat ik dat zou doen.

Aarzelend, voorzichtig liep ik naar de huiskamer. Want ik wist simpelweg niet wat ik daar zou aantreffen.
Maar ik wist wél wat ik voelde.

De haat leek een spoor te hebben achtergelaten van waar zij door de gang naar de woonkamer was gelopen.

Ik volgde dat spoor en bleef in de deuropening staan.

Ik kan het gevoel het beste vergelijken met in een volledig donkere kamer staan en weten dat er iets aanwezig is, maar niet weten vanuit welke hoek het op je af zal komen.
Ik bleef staan, en keek de kamer in.

Zij stond net als vorige keer bij de eettafel een sigaret te maken. Ik liep quasi achteloos richting de koelkast, ondertussen bedenkend hoe ik het verder moest aanpakken. Ze zei niets, stilte. Alleen die muur van haat die om haar heen hing.

Ik trok de koelkastdeur open om wat te drinken te pakken want mijn tong voelde aan als schuurpapier. Alsof mijn speekselklieren er collectief de brui aan hadden gegeven. Eerst een slokje drinken en dan…al mijn zintuigen stonden op scherp.

Tussen de koelkast en de kant van de eettafel zat een meter of drie. En ineens, ik weet niet waarom draaide ik me om en was ze daar ineens en viel mij aan. Ze klauwde letterlijk richting mijn gezicht. Als een wild dier.
Op dat moment neemt je instinct het over. Ik pakte haar polsen met beide handen vast, gelukkig was ze redelijk tenger. Ik gilde naar mijn man die nog in het zijkamertje zat te roken en bij zat te komen van zijn ervaring met haar in de auto: “Je moet hier komen. NU!”

De rest ging in een waas. Ik weet dat we samen onze armen om haar heen sloegen om te proberen haar in toom te houden terwijl zij alleen stond te krijsen:

JIJ MOET DOOD, JIJ MOET DOOD!. HET MOET DOOD!

Weer met die gitzwarte ogen, alleen stond ik er nu met mijn neus bovenop. Nou woog zij ongeveer 55 kilo en was kleiner dan ons allebei, maar we hadden moeite om haar in bedwang te houden. Ze rukte zich los en met één hand schoof ze zonder pardon onze enorme zware hoekbank een stuk door de kamer.

Ik zag het gebeuren. Maar mijn brein weigerde te erkennen wat mijn ogen zagen. Het lukte gewoon niet.

Mijn man en ik deinsden allebei terug. Zij stormde de kamer uit, richting het zijkamertje.

O mijn God, dacht ik. Nu moeten we daar weer naartoe.

Maar dit keer besloot ik eerst de politie te bellen. Ik belde 112. Ik weet nog dat ik dacht dat ze aan de andere kant van de lijn waarschijnlijk zouden denken dat ík degene was die was doorgedraaid.
Hakkelend en stotend probeerde ik uit te leggen wat er aan de hand was. Uiteindelijk zei ik:

“Jullie moeten nu komen en een ambulance bellen. Ik wil haar uit mijn huis hebben. Ze is een gevaar voor zichzelf en voor ons.”

Godzijdank werkten ze mee. De politie kwam direct onze kant op. De ambulance werd ook opgeroepen, maar die was niet in de buurt en zou later komen, En een paar minuten later stond de politie voor de deur.
Pas toen zij binnen waren, durfde ik het zijkamertje weer in. Held als ik was, met een agent vlak achter me.

Ze zat weer op die stoel bij het raam. Naar buiten te kijken. Een sigaret te roken. Ze reageerde totaal niet op onze binnenkomst, maar met die agent zo dichtbij durfde ik tegenover haar te gaan zitten.

Langzaam draaide ze haar hoofd naar mij toe. Ze keek me minachtend aan.

“O, je hebt de politie gebeld, zie ik. Als je maar niet denkt dat ze meegaat.”

Daarna draaide ze haar hoofd weer weg en keek opnieuw naar buiten.

Ik zat daar met een mond vol tanden. Ik wist létterlijk niet wat ik moest zeggen.
Ik keek de agent bijna smekend aan.

Zeg iets, doe iets. Neem dit van me over.

Hij begreep mijn blik. “Nou,” zei hij tegen haar, “dat gaan we nog even bekijken. Er is een ambulance onderweg om je even na te kijken want volgens mij gaat het niet helemaal goed met je.”

Ze reageerde niet, helemaal niet.
Alsof hij niet bestond.
Alsof ze alleen in dat kleine kamertje zat.

Er viel een stilte, en voor mijn gevoel duurde die een eeuwigheid.

Toen keek ze me weer aan met diezelfde blik en op dezelfde toon zei ze:

“Moet je eens achter je kijken.”

Ik reageerde niet meteen.

“Doe dan. Kijk eens achter je.”

Achter mij was een muur. Ik zat letterlijk met mijn rug tegen die muur. Er kon helemaal niets achter mij zijn.

Dus zei ik rustig: “Er is niets achter mij. Ja, een muur.”
Maar ze bleef het herhalen. “Kijk dan.”
“Moet je eens achter je kijken.”
“Doe dan.”
Dit ging minutenlang door.

En het vreemde was dat ze er soms even weer leek te zijn. Dan keek ze naar mij.
En even later zakte ze als het ware weer weg en richtte haar blik opnieuw naar buiten.
Alsof wij er helemaal niet waren.
Alsof ze volkomen alleen in die kamer zat.

Er werd aangebeld: de ambulance stond voor de deur.
Goddank, ik had een reden om het kamertje uit te kunnen om open te doen.
Ik zette de voordeur open en ving het ambulancepersoneel op.
Ik liep met hen naar de kamer en vertelde huilend aan één van hen wat er gebeurd was.

“Wij gaan haar even nakijken” zei ze tegen mij.
Ik zei: “nee je neemt haar mee. Ik wil haar hier niet meer in huis hebben, dat is niet veilig. Niet voor haar en niet voor ons.” Ik was als de dood dat ze haar niet mee wilde nemen en liep naar mijn balkon.

Daar heb ik gestaan, in de kou, een half uur lang met mijn rug tegen de buitenmuur.
Ik probeerde betekenis te geven aan alles wat in een kleine 2 uur gebeurd was maar het lukte niet.

Ik kon pas enigszins weer ademhalen toen ik de bevrijdende woorden hoorde dat ze haar mee gingen nemen, desnoods onder sedatie.

Ik bleef staan op balkon, durfde niet meer naar binnen terwijl ik haar hoorde gillen terwijl ze vastgelegd werd op de brancard: ” Laat los, ik ga niet mee.
En even, hoe bang ik ook was , hoe ontredderd ik me ook voelde, werd ik overspoeld door schuldgevoel.
Wat deed ik haar aan? Het voelde als verraad naar haar.
Maar ook als een opluchting dat ze nu uit mijn huis was.

We gingen naar bed, zonder nog veel gepraat te hebben erover. Het licht in de gang moest aanblijven van mij.
Ik kreeg terwijl ik in bed lag een WhatsApp van een buurman, die een verdieping onder ons woonde.
Wat was er in hemelsnaam aan de hand bij jullie? Ik zei hem er niet over te kunnen praten op dat moment maar dat ik het op prijs stelde dat hij even geappt had.

Het licht van de gang scheen in mijn slaapkamer, maar slapen kon ik niet. Heel lang niet.
Dat ganglicht bleef aan, een heel jaar lang, iedere nacht weer.


De conclusie was voor mij na die gebeurtenis: ik heb me jarenlang beziggehouden met een wereld die niet tastbaar of zichtbaar is. Een wereld die ik dacht te kunnen beheersen, onder controle te hebben.
Niets was minder waar.

En na die nacht hing ik voorgoed mijn bezem in de wilgen.







Ontdek meer van Mijn leven in zijpaden

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *