Beer

Beer, die al 63 jaar bij me is. Beer, de eerste die me vriendelijk aankeek vlak na mijn geboorte. Niet mijn biologische moeder, die keerde me de rug toe, letterlijk, en stond me af. Maar Beer. Nou ja, eigenlijk was het Beertje. Een klein gebreid beertje dat op me stond te wachten in het ledikantje dat het mijne was geworden na mijn adoptie.

En vraag me niet waarom, maar ineens dacht ik hier ineens aan: Zouden baby’s dromen hebben, verwachtingen, als ze in hun bedje liggen te slapen? Of komen ze volledig blanco op de wereld?
Want als het antwoord ja is, dan vraag ik me af wat míjn dromen en verwachtingen waren.
Of ik ook maar enig idee had hoe mijn leven zou er uit zou gaan zien? Wie van me zou houden, wie niet. Welke landen ik zou bezoeken, wie ik tegen zou komen.
Gewoon zo’n vraag die opborrelt.

Eigenlijk is het geen gekke sprong, want meteen daarna dacht ik aan Beer. Als iemand mij aan het begin heeft aangekeken, écht zag, dan was hij het. En zo kwam ik, via een slapende baby met of zonder dromen, weer uit bij dat kleine gele beertje in de hoek van mijn ledikantje.

Maar goed, terug naar Beer.

Beer is eigenlijk altijd de enige constante factor in mijn leven geweest. Daarin ben ik niet uniek natuurlijk. Leven is nou eenmaal altijd in beweging.
Beer ziet er niet bijzonder uit, een klein gebreid beertje van zo’n twintig centimeter, gebreid van grove gele wol. Twee beentjes, twee armpjes. De uiteinden van zijn armpjes en beentjes zijn zwart, net als het puntje van zijn neus en zijn kleine kraaloogjes. Geen bijzondere knuffel om te zien. En toch is hij voor mij altijd heel bijzonder geweest.

Hij stond eerst in het hoekje van mijn ledikantje, zoals gezegd. Als ik op de spaarzame foto’s kijk uit die tijd, dan stond hij in het hoekje boven mijn hoofdje.
Zijn vriendelijke, uitnodigende mondje, een zwart boogje onder zijn eveneens zwarte neusje, nodigde me uit om al mijn kleine verdriet en buikkrampjes bij hem neer te leggen.
Het waren zijn koolzwarte oogjes die zeiden: je bent niet alleen, je bent nooit alleen. Ik ben altijd bij je.
Een boodschap die veel belangrijker voor me was dan ik op dat moment wist.
Ik was een baby. Een baby met of zonder dromen over leven. En over overleven.
Want dat is het bij tijden geweest.

Beer kreeg een heel andere betekenis naarmate ik ouder werd. Hij was mijn vriendje, mijn toevlucht als alles even te moeilijk leek. Ik kroop dan weg in een hoekje van mijn kamertje, beertje in mijn handjes geklemd, tegen mijn borst aan. En als alles goed ging stond hij gewoon op mijn bed.
Ik praatte tegen hem, en hij praatte terug, ook al hoorde niemand anders hem.
Maar hij kon vooral ontzettend goed naar me luisteren. En wat ik hem ook vertelde, hij oordeelde nooit.
Keek me altijd onverstoorbaar aan met zijn vriendelijke blik en zijn lachje, alsof hij wilde zeggen ik luister, vertel al je verhalen maar aan mij. Bij mij zijn ze veilig, bij mij ben jij veilig. Laat je tranen maar vallen op mijn wollen buikje. Al je gevoelens van onmacht, verdriet of boosheid. Ik zal alles netjes opbergen tussen mijn wollen draadjes, zodat jij niet alles hoeft te onthouden en te voelen.

Beer is mijn archief als het ware. Zie hem maar als een kluis waarin alles opgeslagen ligt van 63 jaar.
De perfecte cloud opslag in wollen vorm. Alleen ik kan erbij. Hij bewaakt alle geheimen, al mijn gedachten, al mijn emoties en twijfels die te zwaar waren om alleen te dragen. Hij is een wollen archief wat door niemand gehackt kan worden. Ik mag dan wel wat weten van techniek, maar dit systeem heeft geen wachtwoord nodig gehad, en er zijn nooit gegevens op straat komen te liggen zonder mijn toestemming.

Beer was mijn veilige haven, vooral toen ik nog jonger was. Klinkt misschien heel stom, maar we hebben allemaal plaatsen in ons hart waar niemand bij kan, behalve jijzelf. Maar soms gebeurt er te veel in het leven om alles vast te houden. Dat geeft letterlijk pijn en beklemming, alsof je adem afgesneden wordt. Ik heb er helaas ervaring mee. Dus is het fijn als je iemand om je heen hebt als Beer. Beer die zegt: geef het maar aan mij. Ik bewaar het voor je. Zodat je weer even wat vrijer kan ademen. Dat was Beer voor mij, al die jaren.
Hij nam over wat ik niet steeds bij me kon dragen, omdat het te zwaar was voor een kind. En soms later ook nog voor de volwassene. Hij was er op ieder moment dat ik hem nodig had.

Het is niet zo dat ik niet bij de herinneringen kan. Maar Beer is een archief, een kluis en ik heb de sleutel.
Lange tijd had ik geen behoefte om die sleutel te gebruiken.
Maar ik wist dat er een tijd zou komen dat ik er wel aan toe zou zijn om de sleutel in het slot te draaien en de kluis te openen. Jaren later deed ik dat, ik heb het archief geordend en opgeruimd.
Beer vond het allemaal prima. Want wat hij vasthield was immers van mij, niet van hem.
Hij gaf het zonder oordeel terug, met die vriendelijke oogjes en die lach, alsof hij me wilde laten weten: nu is de tijd dat ik het aan je terug kan geven, het is goed. Je mag het bekijken en jij bepaalt of het losgelaten of bewaard moet blijven.
Dat ging emotioneel niet zonder slag of stoot. Want met het bekijken en loslaten van stukken die er in opgeslagen lagen kwamen ook de emoties mee die erbij hoorde. Ze raasden bij tijden door mijn lijf en soms dacht ik dat ik ten onder ging in het geweld ervan. Maar langzaam ebde dat gevoel weg en werd het lichter en kon ik zo’n stuk loslaten. Sommige stukken besloot ik er in te laten liggen, niet alles hoeft eruit. Dat heb ik besloten.
Geen probleem zei hij, de rest hou ik voor je in bewaring.

Inmiddels zijn niet alleen ik, maar ook Beer op leeftijd. Ik heb hem nu niet meer nodig, niet meer om dingen voor mij te bewaren. Ik heb naarmate ik ouder werd andere manieren geleerd om om te gaan met alles wat het leven mij brengt. Maar nog steeds is Beer er, met dezelfde boodschap als in het begin. Ik ben er voor je als je me nodig hebt, ik luister nog steeds als je tegen me wilt praten.

Hij is van zijn pensioen aan het genieten, net als ik over en paar jaar. Hij zit nog steeds in de stoel.
En heel af en toe kijkt het kleine meisje in mij nog eens naar hem.
Doet de deur van die magische kamer open om even te checken of hij er nog is.
Ze gaat niet meer naar binnen, blijft op de drempel staan, maar gunt hem zijn welverdiende rust en zwaait even naar hem. Hij lacht en zwaait vrolijk terug.

En zachtjes sluit ze de deur weer en voelt zich veilig wetend dat hij er nog steeds is.
Zo zie je maar, veiligheid, rust en begrip vind je soms bij personen of op plaatsen waar je het niet verwacht.
Soms zelf in een gebreid wollen Beertje.
En hopelijk, naarmate je ouder wordt, in jezelf.


Ontdek meer van Mijn leven in zijpaden

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *