De rapture: de opname staat er, maar wat zeggen de teksten?

Dit artikel maakt deel uit van mijn onderzoek naar de eindtijd en de wederkomst. [Bekijk het volledige onderzoek →]

🇳🇱 Nederlandse versie | 🇬🇧 [Read the English version]

Een tijdje geleden schreef ik een artikel over de rapture, ofwel de opname van de gelovigen.
Mijn conclusie daarin was niet dat de Bijbel nergens over een opname spreekt. Die staat er wel degelijk.

Paulus schrijft in 1 Thessalonicenzen 4 dat gelovigen zullen worden opgenomen om de Heere tegemoet te gaan in de lucht. Waar ik mijn vraagtekens bij zette, was het schema dat daaromheen is gebouwd: een afzonderlijke opname vóór een grote verdrukking, waarna de gemeente met Christus naar de hemel gaat, daar een aantal jaren verblijft en Christus later opnieuw met Zijn gelovigen naar de aarde terugkeert.

In mijn eerste artikel keek ik onder andere naar het relatief late ontstaan van deze manier van denken, ongeveer 200 jaar geleden, en naar de rol van John Nelson Darby en de Scofield Reference Bible bij de verspreiding ervan.

Maar daar kun je natuurlijk iets tegenover zetten.
Dat een leer pas later systematisch is uitgewerkt, bewijst op zichzelf nog niet dat zij onbijbels is.
Dat vind ik een terecht punt. Dus op deze reis laat ik Darby en Scofield gewoon thuis en ga ik terug naar de oorspronkelijke Griekse tekst. Want uiteindelijk is dát mijn ijkpunt: de Bijbel zelf.

De belangrijkste vraag is voor mij daarom niet wanneer iemand een bepaald eindtijdschema heeft bedacht, maar of dat schema uit het Nieuwe Testament zelf kan worden afgeleid.

Daarom begin ik opnieuw bij de tekst die vrijwel altijd als eerste wordt genoemd wanneer het over de rapture gaat: 1 Thessalonicenzen 4:13-18.

De HSV vertaalt die passage als volgt:

13 Maar ik wil niet, broeders, dat u onwetend bent ten aanzien van hen die ontslapen zijn, opdat u niet bedroefd bent zoals ook de anderen, die geen hoop hebben.
14 Want als wij geloven dat Jezus gestorven en opgestaan is, zal ook God op dezelfde wijze hen die in Jezus ontslapen zijn, terugbrengen met Hem.
15 Want dit zeggen wij u met een woord van de Heere, dat wij die levend zullen overblijven tot de komst van de Heere, de ontslapenen beslist niet zullen voorgaan.
16 Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem van een aartsengel en met een bazuin van God neerdalen uit de hemel. En de doden die in Christus zijn, zullen eerst opstaan.
17 Daarna zullen wij, de levenden die overgebleven zijn, samen met hen opgenomen worden in de wolken, naar een ontmoeting met de Heere in de lucht. En zo zullen wij altijd bij de Heere zijn.
18 Zo dan, troost elkaar met deze woorden.

Waarom schrijft Paulus dit eigenlijk?

Voordat we naar het woord “opgenomen” in vers 17 springen, moeten we eerst vaststellen waarom Paulus deze woorden überhaupt schrijft. In vers 13 zegt hij dat hij zijn lezers niet onwetend wil laten over “hen die ontslapen zijn”. Het gaat dus in eerste instantie over gelovigen die al gestorven zijn.
De Thessalonicenzen moeten daarover niet bedroefd zijn zoals mensen die geen hoop hebben.

Vervolgens legt Paulus in vers 14 uit waarom die hoop er wél is: zoals Jezus gestorven en opgestaan is, zo zal God ook hen die in Jezus ontslapen zijn, met Hem terugbrengen.

De aanleiding voor deze passage is dus niet de vraag: hoe kunnen gelovigen aan een toekomstige grote verdrukking ontsnappen?

maar: wat gebeurt er met gelovigen die gestorven zijn voordat Christus terugkomt?
Dat is belangrijk om vast te houden voordat we verder lezen.

De komst van de Heere

In vers 15 spreekt Paulus over “de komst van de Heere”.
Voor “komst” gebruikt hij het Griekse woord parousia. Dat kan komst of aanwezigheid betekenen. Voorlopig hoeven we daar nog geen eindtijdschema aan te verbinden. Belangrijk is eerst alleen dat Paulus spreekt over de komst van Christus. En opnieuw staan de gestorven gelovigen centraal.
Paulus verzekert zijn lezers dat degenen die bij Christus’ komst nog in leven zijn, de gestorven gelovigen niet zullen voorgaan.

In vers 16 beschrijft hij vervolgens wat er gebeurt: Christus daalt neer uit de hemel en de doden in Christus staan eerst op. Pas daarna, in vers 17, komt Paulus bij de gelovigen die op dat moment nog in leven zijn.
Paulus maakt dus duidelijk dat de gestorven gelovigen niets zullen missen of achterlopen op degenen die nog leven: zij zullen eerst opstaan.

Dan nu: “opgenomen”

Dan komen we bij vers 17, het vers waar de rapturetheorie voor een belangrijk deel op is gebaseerd.
Paulus begint met “Daarna” (epeita). Dat sluit rechtstreeks aan op wat hij zojuist heeft beschreven: Christus daalt neer uit de hemel en de doden in Christus staan eerst op. Daarna komen de gelovigen aan bod die nog leven. Paulus zegt dat zij “samen met hen opgenomen worden”.
Het Griekse woord dat hier wordt gebruikt is harpagēsometha, een vorm van harpazō. De vorm staat in de toekomstige tijd en is passief: wij zullen worden opgenomen of weggerukt.

Daar wil ik niets aan afdoen.
De opname staat in de tekst.

Er valt daarbij nog iets op. De komst die Paulus beschrijft gaat gepaard met een geroep, de stem van een aartsengel en een bazuin van God. De tekst beschrijft hier dus in ieder geval geen gebeurtenis die zonder enig waarneembaar teken plaatsvindt. Maar daarmee staat het bekende rapture schema er nog niet.

Het woord harpagēsometha vertelt ons dát gelovigen worden opgenomen, maar niet dat dit vóór een grote verdrukking gebeurt.
Het zegt ook niet dat Christus hen vervolgens meeneemt naar de hemel, dat zij daar een aantal jaren verblijven of dat Christus daarna opnieuw met hen naar de aarde terugkeert.

Om die conclusie te kunnen trekken, hebben we meer tekst nodig. Paulus vertelt wel waar de ontmoeting plaatsvindt: in de wolken, in de lucht. Vervolgens schrijft hij: “En zo zullen wij altijd bij de Heere zijn.”

Maar opvallend genoeg zegt Paulus hier niet waar Christus en de gelovigen na die ontmoeting naartoe gaan.
En precies daar wordt een volgend woord interessant: “ontmoeting”, apantēsis.

Wat betekent “tegemoetgaan”?

Voor “ontmoeting” gebruikt Paulus in 1 Thessalonicenzen 4:17 het woord apantēsis. Het betekent ontmoeting of tegemoetgaan.
Hetzelfde woord komt ook op andere plaatsen in het Nieuwe Testament voor.

In Mattheüs 25:6, in de gelijkenis van de tien meisjes, klinkt de roep dat de bruidegom eraan komt. De meisjes gaan naar buiten om hem tegemoet te gaan. Daarna gaan degenen die gereed zijn met hem mee naar de bruiloft.
In Handelingen 28:15 is Paulus onderweg naar Rome. Gelovigen uit Rome horen dat hij eraan komt en reizen hem tegemoet. Nadat zij hem hebben ontmoet, gaat Paulus verder naar Rome, de bestemming waar hij al naartoe onderweg was.
In deze voorbeelden zien we dus een patroon: iemand komt eraan, anderen gaan die persoon tegemoet en sluiten zich vervolgens bij hem aan.

Maar hier moeten we voorzichtig zijn. Het woord apantēsis betekent op zichzelf niet automatisch dat degene die tegemoet wordt gegaan daarna altijd verder reist naar zijn oorspronkelijke bestemming.
Alleen op basis van dit Griekse woord kunnen we daarom niet bewijzen dat Christus na de ontmoeting in de lucht met de gelovigen verder afdaalt naar de aarde.

Maar het omgekeerde geldt net zo goed.
Het woord zegt ook nergens dat Christus na de ontmoeting omkeert en de gelovigen weer meeneemt naar de hemel. En precies dat is nodig voor het bekende pre-trib raptureschema.

Paulus zegt dat Christus uit de hemel neerdaalt, dat de gelovigen Hem tegemoetgaan in de lucht en dat zij vanaf dat moment altijd bij Hem zullen zijn. Wat hij niet zegt, is: “Daarna keert Christus met hen terug naar de hemel.”

Die stap moeten we dus uit andere teksten halen als we haar willen maken.
Voorlopig kunnen we op basis van 1 Thessalonicenzen 4:17 alleen vaststellen: de gelovigen worden opgenomen om de komende Christus tegemoet te gaan. Waar Christus en de gelovigen daarna naartoe gaan, vertelt Paulus hier niet expliciet.

Kan Johannes 14 de ontbrekende stap leveren?

Een tekst die vaak wordt gebruikt om die ontbrekende stap in te vullen, is Johannes 14:1-3.
Jezus spreekt daar vlak voor Zijn dood tot Zijn discipelen. Hij vertelt hun dat Hij weggaat en spreekt over het huis van Zijn Vader, waar veel woningen zijn. Hij zegt dat Hij heengaat om een plaats gereed te maken en vervolgens: “kom Ik terug en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben.”
In het Grieks staat voor “zal u tot Mij nemen” de formulering paralēmpsomai hymas pros emauton. Het werkwoord paralambanō kan betekenen iemand meenemen, ontvangen of tot zich nemen.

Dit is dus een tekst die we serieus moeten nemen.
Jezus belooft dat Hij terugkomt en Zijn volgelingen tot Zich zal nemen. Omdat Hij vlak daarvoor spreekt over het huis van Zijn Vader en het gereedmaken van een plaats, is het begrijpelijk dat deze passage wordt verbonden met de gedachte dat de gelovigen bij Hem zullen zijn.

Maar ook hier moeten we onderscheid maken tussen wat de tekst zegt en wat vanuit een bepaald schema aan de tekst wordt toegevoegd.

Johannes 14 zegt dat Jezus: heengaat, een plaats gereedmaakt, terugkomt en Zijn volgelingen tot Zich neemt.

Maar in deze passage staat niet:

  • dat dit gebeurt vóór de grote verdrukking;
  • dat daarna zeven jaar verstrijken voordat Christus naar de aarde terugkeert;
  • dat dit een andere komst is dan de wederkomst waarover andere nieuwtestamentische teksten spreken;
  • dat Christus na die periode nogmaals vanuit de hemel naar de aarde komt.

Die zeven jaar komen overigens niet uit 1 Thessalonicenzen 4 of Johannes 14. Ze komen voort uit een bepaalde uitleg van de zeventigste “week” in Daniël 9:24-27, waarbij die week als zeven jaar wordt verstaan en naar een nog toekomstige periode wordt verplaatst. Of die uitleg van Daniël 9 terecht is, is een afzonderlijke vraag die ik hier niet verder uitwerk.
Johannes 14 kan dus iets toevoegen aan wat we in 1 Thessalonicenzen 4 lazen, maar het levert nog steeds niet het volledige pre-trib raptureschema.

De komst van Christus en onze vereniging met Hem

Een andere belangrijke passage staat in 2 Thessalonicenzen 2:1-3.
Dat is interessant, omdat Paulus opnieuw aan dezelfde gemeente schrijft en terugkomt op de komst van Christus.

De HSV vertaalt: 1 En wij vragen u dringend, broeders, met betrekking tot de komst van onze Heere Jezus Christus en onze vereniging met Hem, 2 dat u niet snel aan het wankelen wordt gebracht of verschrikt, niet door een uiting van de geest, niet door een woord, en ook niet door een brief die van ons afkomstig zou zijn, alsof de dag van Christus al aangebroken zou zijn. 3 Laat niemand u op enigerlei wijze misleiden. Want die dag komt niet, tenzij eerst de afval gekomen is en de mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf, geopenbaard is.

Voor we deze verzen bekijken, is er één tekstverschil dat ik wil vermelden. De HSV heeft in vers 2 “de dag van Christus”. In de kritische Griekse tekst staat “de dag van de Heere”. Voor de vraag die ik hier onderzoek verandert dat de redenering niet wezenlijk, maar omdat ik zo dicht mogelijk bij de brontekst wil blijven, vermeld ik het wel.

Voor onze vraag vallen vooral twee formuleringen uit vers 1 op: “de komst van onze Heere Jezus Christus”
en: “onze vereniging met Hem”.
Voor “komst” gebruikt Paulus opnieuw parousia, hetzelfde woord dat hij in 1 Thessalonicenzen 4 gebruikt.
Voor “vereniging” gebruikt hij episynagōgē, een woord dat het bijeenbrengen of verzamelen aanduidt.
Paulus noemt dus in één zin de komst van Christus en onze verzameling bij Hem.
Vervolgens zegt hij dat zijn lezers zich niet moeten laten misleiden alsof de dag van de Heere al aangebroken is.
In vers 3 staat in de HSV: “Want die dag komt niet, tenzij eerst…”
De woorden “die dag komt niet” zijn ter verduidelijking toegevoegd.
In het Grieks sluit de zin rechtstreeks aan op de dag uit vers 2.

Paulus noemt vervolgens twee dingen die eerst gebeuren: de afval en de openbaring van de mens van de wetteloosheid. Daarbij moeten we opnieuw niet meer uit de tekst halen dan er staat. Paulus zegt hier niet letterlijk: “de opname vindt pas plaats na de afval en de openbaring van de mens van de wetteloosheid.”
Maar hij zegt evenmin dat onze vereniging met Christus een afzonderlijke gebeurtenis is die al vóór deze gebeurtenissen plaatsvindt.

En precies daar heeft het pre-tribschema een extra onderscheid nodig: vers 1 zou dan over de opname gaan, terwijl vers 2 en 3 over een latere dag van de Heere zouden gaan.

De vraag is daarom niet of zo’n onderscheid theologisch gemaakt kán worden, maar: maakt Paulus dat onderscheid hier zelf?

Voorlopig zie ik dat Paulus de komst van Christus en onze vereniging met Hem samen als onderwerp introduceert. Een afzonderlijke opname jaren eerder wordt in deze passage niet uitgelegd.

Wanneer krijgen vervolgde gelovigen verlichting?

Nog vóór hoofdstuk 2 schrijft Paulus iets anders dat voor onze vraag interessant is.
In 2 Thessalonicenzen 1:7 zegt hij tegen gelovigen die op dat moment zelf verdrukt worden dat God hun “verlichting” zal geven: “bij de openbaring van de Heere Jezus vanuit de hemel”.
Voor “verlichting” staat in het Grieks anesis, rust of verlichting van druk. Voor “openbaring” gebruikt Paulus apokalypsis: het zichtbaar worden of onthullen van wat daarvoor nog niet zichtbaar was.
Paulus verbindt de verlichting van deze vervolgde gelovigen dus met het moment waarop Jezus vanuit de hemel geopenbaard wordt.

Binnen het pre-tribschema worden gelovigen al vóór de grote verdrukking opgenomen en zijn zij dus bij Christus voordat Hij later zichtbaar vanuit de hemel verschijnt. Maar dat onderscheid maakt Paulus hier niet.
Hij zegt tegen mensen die zelf verdrukt worden dat hun verlichting komt bij de openbaring van Jezus vanuit de hemel.
Ook hier staat niet letterlijk: “er bestaat geen opname vóór de verdrukking.”
Maar evenmin staat er dat de gelovigen jaren vóór deze openbaring al van de aarde worden weggenomen.

In vers 10 spreekt Paulus bovendien over Christus Die op die dag wordt “verheerlijkt in Zijn heiligen en bewonderd in allen die geloven.” Opnieuw zie ik in de tekst zelf geen duidelijke scheiding tussen een eerdere opname van gelovigen en een openbare komst van Christus jaren later.

Daarmee wordt de vraag steeds relevanter: waar maakt het Nieuwe Testament zelf die twee afzonderlijke momenten eigenlijk van?

Betekent “bewaren voor” ook “wegnemen”?

Een tekst die vaak wordt aangehaald als bewijs dat de gemeente vóór de grote verdrukking wordt weggenomen, is Openbaring 3:10. Christus zegt tegen de gemeente in Filadelfia: “Ik zal u bewaren voor het uur van de verzoeking…”
Voor “bewaren voor” staat in het Grieks tērēsō ek. Het werkwoord tēreō betekent bewaren, bewaken of beschermen. Het voorzetsel ek kan onder andere “uit” of “vanuit” betekenen.

Op het eerste gezicht zou je daarom kunnen denken: als Christus hen bewaart “uit” het uur van beproeving, moeten zij dus vóór die tijd worden weggenomen.
Maar Johannes gebruikt vrijwel dezelfde combinatie in Johannes 17:15.
Daar bidt Jezus voor Zijn discipelen. Hij vraagt de Vader uitdrukkelijk niet om hen uit de wereld weg te nemen, maar om hen “te bewaren voor de boze”. En ook daar staat tēreō in combinatie met ek.
Daarmee kunnen we in ieder geval vaststellen dat “bewaren uit/voor” niet automatisch betekent dat iemand lichamelijk uit een situatie wordt verwijderd.
Dat betekent niet dat Openbaring 3:10 en Johannes 17:15 precies hetzelfde moeten betekenen. De ene tekst spreekt over bewaring voor de boze, de andere over “het uur van de verzoeking”.

Maar de Griekse woorden zelf bewijzen dus niet dat bewaren noodzakelijk betekent: vooraf van de aarde verdwijnen.

Openbaring 3:10 zegt bovendien niet:

  • dat deze bewaring plaatsvindt door middel van een opname;
  • dat alle gelovigen vóór een zevenjarige verdrukking naar de hemel gaan;
  • dat dit dezelfde gebeurtenis is als 1 Thessalonicenzen 4:17;
  • dat Christus daarna jaren later opnieuw naar de aarde komt.

De tekst bevat een duidelijke belofte van bewaring.
Maar om daarvan het volledige pre-trib raptureschema te maken, zijn aanvullende stappen nodig die Openbaring 3:10 zelf niet beschrijft.

Na de verdrukking: de komst en het bijeenbrengen

Een laatste passage die ik wil bekijken, is Mattheüs 24:29-31. Hier kun je de passage in de HSV lezen.
Jezus spreekt in het voorafgaande gedeelte over een tijd van grote verdrukking. Vers 29 begint vervolgens met:“Meteen na de verdrukking van die dagen…”
In het Grieks staat eutheōs de meta tēn thlipsin tōn hēmerōn ekeinōn, letterlijk ongeveer: “onmiddellijk na de verdrukking van die dagen”.

Daarna beschrijft Jezus de komst van de Zoon des mensen op de wolken met kracht en grote heerlijkheid. Vervolgens worden de engelen uitgezonden met luid bazuingeschal om Zijn uitverkorenen bijeen te brengen.
De volgorde in deze passage is dus opvallend: verdrukking, komst van de Zoon des mensen, bijeenbrengen van de uitverkorenen. Dat roept vanzelf een vraag op wanneer we dit naast een opname vóór de verdrukking leggen.

Een veelgehoord antwoord is dat de “uitverkorenen” in Mattheüs 24 niet de gemeente zijn, maar Israël of mensen die tijdens de verdrukking tot geloof komen. Dat argument moeten we serieus nemen. Mattheüs 24 bevat duidelijk Joodse elementen. Jezus spreekt onder andere over Judea, de tempel en de sabbat.

Maar dan blijft dezelfde vraag gelden: maakt de tekst zelf het onderscheid dat het schema nodig heeft?Mattheüs noemt hen eenvoudig “Zijn uitverkorenen”.
Opvallend is bovendien dat Paulus in 2 Thessalonicenzen 2:1 voor “onze vereniging met Hem” het woord episynagōgē gebruikt, terwijl Mattheüs 24:31 het verwante werkwoord episynagō gebruikt voor het bijeenbrengen van de uitverkorenen.

Dat bewijst niet dat beide passages exact dezelfde gebeurtenis beschrijven.
Maar het bewijst evenmin dat we met twee totaal verschillende verzamelingen te maken hebben.
Daarbij zijn de overeenkomsten opvallend. Zowel 1 Thessalonicenzen 4 als Mattheüs 24 spreken over de komst van Christus, wolken, bazuingeschal en het bijeenbrengen van gelovigen.

Als we dus willen zeggen dat dit twee verschillende gebeurtenissen zijn, moet dat onderscheid dus ergens uit de tekst blijken. Wat Mattheüs 24 in ieder geval wél duidelijk beschrijft, is een bijeenbrengen van uitverkorenen na de verdrukking. Een afzonderlijk bijeenbrengen van de gemeente vóór die verdrukking wordt in deze passage niet genoemd.

Tijd om daarom terug te gaan naar de vraag waarmee ik begon: hoeveel van het bekende raptureschema staat daadwerkelijk in de Bijbeltekst zelf?

Conclusie: wat kunnen we nu wél en niet zeggen?

Na het bekijken van deze passages blijft voor mij één onderscheid belangrijk: De opname van gelovigen staat in de Bijbel. 1 Thessalonicenzen 4 zegt duidelijk dat levende gelovigen samen met de opgestane gelovigen worden opgenomen om Christus tegemoet te gaan in de lucht. Daar hoef ik niets aan af te doen.
Maar het volledige pre-tribschema vind ik in de onderzochte teksten niet terug.

Wat ik wél in de teksten lees:
  • Christus komt terug;
  • de doden in Christus staan op;
  • levende gelovigen worden samen met hen opgenomen;
  • zij gaan Christus tegemoet in de lucht;
  • Christus neemt de Zijnen tot Zich;
  • Paulus spreekt over de komst van Christus en onze vereniging met Hem;
  • vervolgde gelovigen ontvangen verlichting bij de openbaring van Jezus vanuit de hemel;
  • Openbaring 3:10 spreekt over bewaring;
  • Mattheüs 24 spreekt over het bijeenbrengen van uitverkorenen na de verdrukking.
Wat ik in deze teksten niet lees:
  • dat de opname vóór de grote verdrukking plaatsvindt;
  • dat Christus na de ontmoeting in de lucht met de gelovigen terugkeert naar de hemel;
  • dat de gelovigen daar vervolgens zeven jaar verblijven;
  • dat Christus daarna nogmaals vanuit de hemel naar de aarde komt;
  • dat Zijn komst en het bijeenbrengen van de gelovigen daarom uit twee afzonderlijke gebeurtenissen bestaan.

Die verschillende stappen kunnen door Bijbelteksten met elkaar te verbinden tot een theologisch systeem worden opgebouwd. Maar dat is iets anders dan vaststellen dat de teksten zelf die volgorde beschrijven.
Geen van de passages die ik heb onderzocht is op zichzelf een bewijs waarmee iedere mogelijke pre-trib-opvatting in één klap van tafel kan worden geveegd. Zo eenvoudig is Bijbeluitleg zelden.

Maar samen roepen ze voor mij wel een fundamentele vraag op: Als een afzonderlijke opname vóór de verdrukking zo’n belangrijk onderdeel van Gods plan is, waarom moet ik dan zoveel tussenstappen maken om haar uit het Nieuwe Testament te reconstrueren?

En daar zit uiteindelijk mijn bezwaar tegen het rapture schema.

Niet bij het woord opname.

Niet bij de belofte dat Christus terugkomt.

Niet bij de hoop dat gelovigen bij Hem zullen zijn.

Maar bij de stappen die tussen die Bijbelse uitspraken worden geplaatst en vervolgens gemakkelijk worden behandeld alsof ze zelf ook letterlijk in de tekst staan.

Daarom kom ik na deze tweede zoektocht opnieuw bij dezelfde conclusie uit als in mijn eerste artikel, maar deze keer langs een andere route: de opname staat er. Het pre-trib rapture schema krijg ik uit deze teksten zelf nog steeds niet opgebouwd.

En zolang dat niet lukt, vind ik het eerlijker om bij de woorden van de Bijbel te blijven dan de ontbrekende delen van het schema zelf in te vullen.

Verder lezen:
De rapture: de opname staat er, het schema niet
Eindtijd, steen voor steen : wanneer begonnen de laatste dagen
?


Ontdek meer van Mijn leven in zijpaden

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *