Over slachtofferschap, een theologie uit 1830, en de vraag die je bijna niet meer mag stellen
Alles rond dit onderwerp ligt reuze gevoelig, daar ben ik me van bewust.“ 7 oktober” en op het recht op zelfverdediging. Twee woorden, en het denken kon stoppen voor veel mensen.
Het wordt tijd dat ik ook mijn standpunt inneem. En dat ik niet wegloop voor de labels die ik daarvoor ongetwijfeld opgeplakt ga krijgen.
Want dit is wat ik zie. Zodra je iemand hebt ingedeeld, hoef je niet meer te kijken. Het hokje kijkt voor je. Dat scheelt moeite en daar zit de verleiding. Iemand met schulden wordt een “dossier”. Een vluchteling een “stroom”. En in de ergste vorm: een heel volk krijgt een vast stempel, en daarna mag je alles met ze.
Maar omschrijf zelfverdediging eens, het argument dat eindeloos wordt aangevoerd. 7 oktober en zelfverdediging. Maak dat woord weer concreet. Want is het nog zelfverdediging wanneer je tienduizenden mensen de dood injaagt als wraak voor twaalfhonderd? En weigert te stoppen?
Wanneer is een oog-om-oog, tand-om-tand-gevoel verzadigd? Wanneer is het genoeg geweest?
Als het antwoord “nooit” is, dan beschrijf je geen zelfverdediging meer. Dan beschrijf je een principe dat zichzelf eindeloos voedt. En dat principe geldt ook tegen jou. In de toekomst. Door de hand van wie dan ook. Wie van oog-om-oog een wet maakt, schrijft zijn eigen vonnis alvast voor.
Mijn frustratie zit niet bij een volk. Hij zit bij een houding. Bij die slachtofferkaart die te pas en te onpas getrokken wordt om eigen daden te rechtvaardigen. Geleden leed is verschrikkelijk. Maar het maakt het niet minder erg wanneer jij het een ander aandoet. Het geeft je geen blanco cheque. Wie dader is, moet dat dragen als dader en niet wegmoffelen onder “ja maar wij waren eerst het slachtoffer”.
En dan is er dat andere argument. Het oudste. Het zwaarste. Het argument dat machthebbers keer op keer inzetten: wij zijn Gods uitverkoren volk. Alsof dat alles dekt. Maar klopt dat wel? Als je de Bijbel werkelijk leest, valt dat argument uit elkaar.
Want wat betekent uitverkoren zijn, volgens datzelfde boek? Niet: jij mag meer. Maar: van jou wordt méér gevraagd. De profeet Amos zegt het ijzingwekkend direct: alléén jullie heb ik gekend van alle volken op aarde en dáárom zal ik jullie straffen voor al jullie ongerechtigheden. Uitverkoren betekent dus niet minder verantwoording, maar meer. Niet vrijstelling, maar een hogere lat.
En waartóé uitverkoren? Al bij Abraham staat het er: gezegend, zodat je tot zegen zult zijn en in jou zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden. De uitverkiezing is er vóór de volken, niet tegen ze. Om te zegenen, niet om te heersen.
En wat vraagt God dan? De profeet Micha vat het samen in één regel: recht doen, trouw liefhebben, ootmoedig wandelen. Geen ras, geen status, geen geboorterecht. Een ethische opdracht. En de profeten — Jesaja, Amos, Jeremia — keren zich keihard tegen het onrecht van hun éigen volk. God walgt van de feesten en de offers zolang het recht niet stroomt. Laat het recht maar stromen als water, zegt Amos.
Dit zijn niet mijn woorden, van buitenaf ingebracht. Het staat in de Hebreeuwse Bijbel zelf. Het volk dat zich uitverkoren noemt, kreeg van zijn eigen profeten te horen dat uitverkiezing geen vrijbrief is maar een verplichting. En veruit de meeste Joodse denkers lezen het ook zo: als opdracht, niet als voorrecht. Het misbruik zit niet in het geloof. Het zit in de macht die het geloof kaapt.
En nu wil ik je laten zien hóé dat in z’n werk ging. Want de versie van dit geloof die vandaag bommen rechtvaardigt, is niet oud. Hij is jong. Verbazingwekkend jong.
Het idee dat de moderne staat Israël de profetische klok weer laat tikken, dat God twee aparte volken heeft, dat de gelovigen straks in het geheim van de aarde worden weggenomen – dat hele systeem heet dispensationalisme, en het bestond niet vóór 1830. Geen kerkvader leerde het. Niet Augustinus, niet Luther, niet Calvijn. Achttien eeuwen christelijk denken, en niemand.
Toen, in de jaren 1830, bedacht een Ierse predikant het: John Nelson Darby. Een randfiguur uit een kleine beweging. Zijn ideeën waren waarschijnlijk vergeten geweest als een Amerikaanse jurist, Cyrus Scofield, ze in 1909 niet in een studiebijbel had gezet. En let op hóé. Scofield zette zijn eigen aantekeningen pal naast de Bijbeltekst. Zelfde bladzijde. Zelfde lettertype. Voor de gewone lezer verdween het verschil tussen Schrift en commentaar. Een hele generatie leerde een interpretatie uit de negentiende eeuw lezen alsof het de stem van God zelf was.
Zo werd een voetnoot tot openbaring.
En precies dáár wordt mijn punt concreet. Want in dit systeem verandert één bijbelvers van karakter. “Wie jou zegent zal ik zegenen, wie jou vervloekt zal ik vervloeken” – ooit gezegd tegen Abraham – wordt een geopolitieke richtlijn. Landen die de staat Israël steunen worden gezegend. Landen die het beleid bekritiseren, hoe gewelddadig ook, worden vervloekt. Een belofte aan één mens wordt herstart als garantie aan een staat uit 1948. Dat is geen Bijbeluitleg meer. Dat is de Bijbel misbruiken voor een geopolitiek doel.
En toen het die macht ontmoette, werd het gevaarlijk. In de jaren tachtig kwam het via Jerry Falwell de Amerikaanse politiek binnen. Inmiddels is er een lobby – Christians United for Israel, in 2006 opgericht door prediker John Hagee, naar eigen zeggen miljoenen leden – die mensen mobiliseert rond één stelling: Israël steunen is een Bijbelse opdracht, wat Israël ook doet.
Zie je wat er gebeurt? Een normaal politiek standpunt kun je bijstellen. Je kunt erover praten, feiten wegen, van gedachten veranderen. Maar een standpunt dat je tot Goddelijk gebod hebt verklaard, kún je niet bijstellen. Dan is kritiek geen kritiek meer, maar opstand tegen God. Vredesinitiatieven worden door de hemel verboden. Zorg om o.a Palestijnse en alle andere doden die vallen onder invloed van dit “gebod” en uitgevoerd door de staat Israel worden omgedoopt tot antisemitisme. Het denken gaat op slot.
En wie betaalt de prijs? Onder anderen de Palestijnse en Libanese en Syrische christenen. Honderdduizenden. Sommigen uit families die Christus aanbaden lang voordat dit systeem bestond, in dezelfde steden waar Hij liep. Zij passen in geen van beide hokjes– niet etnisch Israël, niet de westerse kerk – en dus tellen ze niet. Een theologie die geen plek voor ze heeft, laat ze gewoon verdwijnen.
En toen kwam Jezus, en Hij trok de lijn door tot het uiterste. Hij noemde “oog om oog” met naam en toenaam — en zette er iets anders voor in de plaats. Heb je vijanden lief. Keer de andere wang. Hij vertelde over de Samaritaan, juist de verachte buitenstaander, als de ware naaste. Hij zei: wat je voor de minste hebt gedaan, heb je voor Mij gedaan. En tegen wie zich op afkomst beriep – wij hebben Abraham als vader klonk: denk maar niet dat dát je redt.
Jezus deed niet aan hokjes. Hij vroeg niet eerst naar je afkomst voordat Hij compassie had. Hij had verdriet om ieder levend wezen dat lijdt, ongeacht het etiket.
Laat ik heel duidelijk zijn, want ik weet hoe snel dit verkeerd gelezen wordt. Ik heb niets tegen het joodse volk. Ik vind het vreselijk als hen iets overkomt. Net zo vreselijk als wanneer een Gazaan, een Libanees of een Syriër iets overkomt als gevolg van dit standpunt. Het leed van ieder van hen weegt voor mij even zwaar, en de daad weegt even zwaar, wie hem ook pleegt.
Dat is geen slag om de arm. Dat ís het punt. Geen hokjes. Gewoon compassie voor ieder slachtoffer, waar het ook vandaan komt.
Ik weet dat ik me met dit stuk in een rijtje plaats dat door sommigen meteen gelabeld wordt. Antisemitisch. Dat ben ik niet, en wie eerlijk leest wat hier staat, weet dat ook. Maar daar zit nu juist iets scheef. Als zelfs de vraag al verdacht is – wanneer is wraak verzadigd, en houdt uitverkiezing werkelijk in wat men ervan maakt – dan is dat woord geen bescherming meer tegen haat. Dan is het een muur geworden om het denken buiten te houden.
En ik stop niet met vragen omdat het gevoelig ligt. Juist niet.
Ontdek meer van Mijn leven in zijpaden
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
Eén reactie