Toen leren lezen nog met hout, inkt, vlekken en een beetje gevaar kwam
Mijn kleindochter is acht en loopt, zoals zoveel kinderen van haar leeftijd, regelmatig met een telefoon of tablet in haar handen. Daar zit tegenwoordig zo ongeveer haar halve wereld in: spelletjes, filmpjes, muziek, schoolwerk en waarschijnlijk nog een heleboel dingen waarvan oma het bestaan niet eens kent.
Als ik haar zo bezig zie, denk ik soms aan mijn eigen jeugd terug. Ook wij hadden hulpmiddelen om te leren lezen en schrijven. Alleen pasten die niet in je broekzak. Een kroontjespen, een potje inkt en een houten leesplankje met losse lettertjes waren een stuk minder gebruiksvriendelijk dan een tablet.
En bovendien aanzienlijk makkelijker kwijt te raken als je, zoals ik, niet kon stilzitten.
De lagere school, of de basisschool zoals we die nu noemen. Mijn eerste juf, ik vergeet haar nooit: juf Arnolds. Misschien niet eens omdat zij zó bijzonder was, alhoewel ik me haar als lief herinner, maar vooral omdat ze zelf moeder was van een eeneiige drieling. Drie jongens. Identiek gekleed. Iedere dag.
Nu zou je waarschijnlijk het consultatiebureau op je dak krijgen, want dat is natuurlijk niet goed voor de ‘individuele ontwikkeling’. Maar in die tijd was het normaal. Had je een tweeling, dan kleedde je ze hetzelfde.
En voor zover ik weet is niemand daar ooit slechter of crimineel van geworden.
Maar goed, een drieling, dat was als anderhalf keer dubbelzien. De jongens zaten ook bij mij op school.
Ze waren wat ouder, dus ze zaten een paar klassen hoger, maar ik zag ze regelmatig met z’n drieën door het schoolgebouw lopen. Altijd samen, en in alles waren ze identiek.
Het was net of je een fles jenever achterover geklokt had als je naar ze keek. Maar wees gerust, in die tijd kwam ik niet verder dan Exota limonade. Ze liepen met kaartjes opgespeld op hun keurige gesteven overhemden. Daar stonden hun namen op, omdat niemand ze anders uit elkaar kon houden.
Ik denk zomaar dat ze daar later nog veel plezier van gehad hebben.
Maar terug naar mijn eerste klas of zoals het nu heet: groep drie. In de klas zat ik achter een schoolbankje. Zo’n houten tafeltje met rechtsbovenin een inktpotje met een schuifje. Daarnaast een richeltje met een inktlapje.
We schreven in die tijd met een kroontjespen. Nou ja, het schuifje zat er bij mij natuurlijk nooit lang op want: open, dicht, open, dicht, open, dicht. Totdat het kapot was uiteraard.
En de kroontjespen? Een woord dat inmiddels bijna uit onze taal verdwenen is.
Degene die dit leest, zal óf ongeveer net zo oud zijn als ik en het herkennen, óf zich afvragen waar ik het in vredesnaam over heb.
Ik kan je zeggen: kroontjespennen waren aan mij niet besteed. Je moest zo’n ding in een potje met inkt dopen en er dan mee schrijven. Niet de hele pen maar alleen het puntje.
Voor mij het equivalent van marteling. Pennetje schuin houden, te hard drukken, potverdrie weer een vlek.
Dan was de inkt halverwege de letter alweer op. Oh, en als je te hard op dat ding drukte, spleet of boog het puntje om. “Juf mijn pen is stuk.” Dan moest ik weer een nieuwe hebben. Ik was grootverbruiker.
Dagelijks kwam ik thuis met inkt op mijn kleren, inktvlekken in mijn gezicht en zelfs inkt in mijn haren.
Je begrijpt: ik had geen geduld en kon niet stilzitten. Nu, 56 jaar later, kan ik nog steeds geen van beide.

En alsof die kroontjespen nog niet genoeg uitdaging was, leerden we lezen met aap-noot-mies.
Niet alleen van het grote bord dat voor in de klas stond, maar ook met een eigen leesplankje.
Op dat grote bord, maar ook op het leesplankje voor je op je tafel, stonden rijen tekeningen: een aap, een walnoot, een poes genaamd Mies en zo verder.
En iedere dag begonnen we hardop in koor: Aap – Noot – Mies – Wim – Zus – Jet.
Tot je het hele riedeltje kon dromen, of er nachtmerries van kreeg waar je door een aap achterna gezeten werd die je met walnoten bekogelde.
En dan dat leesplankje: een houten plank met gleufjes waarin je losse lettertjes moest schuiven onder het juiste plaatje. Een soort prehistorische vorm van Scrabble.

Ik raakte die lettertjes altijd kwijt. Ze verdwenen in mijn laatje, op de grond of op mysterieuze wijze in de schooltas van een klasgenoot of in mijn zakken.
Of bij het verlaten van de klas vond ik ze terug op de drempel van het lokaal. En niet zelden waren ze gewoon verdwenen in het niets.
Niet aan mij vragen hoe dat mogelijk was, ik wist nergens van.
Soms was ik halverwege een woord al een cruciale letter kwijt. Probeer maar eens het woord N-O-O-T te spellen zonder dat je de letter O nog ergens in die grabbelton met lettertjes had.
Nog maar niet te spreken van het woord S-C-H-A-P-E-N als de A verdwenen was.
Dan schoof ik er maar een extra E tussen en kreeg ik S-C-H-E-P-E-N. Op het plaatje stonden nog steeds schapen, maar volgens mijn leesplankje waren het inmiddels schepen.
Tja en schapen kunnen niet drijven. Dan krijg je heel rare situaties.
Er bestonden er in de Nederlandse taal geen woorden zonder klinkers, waardoor ik regelmatig met een soort geheime code eindigde.
Maar vandaag de dag leert een kind lezen op een tablet, zonder losse lettertjes maar toetsen. En die zitten gelukkig vast.
In mijn tijd waren dit de heilige beginstappen naar geletterdheid.
Het blijft een wonder dat ik een paar jaar later boeken verslond alsof mijn leven ervan afhing.
Want het werkte, zelfs ik leerde lezen. Het duurde misschien wat langer dan bij de gemiddelde leerling, maar dat kwam omdat ik soms meer bezig was met kijken hoe ver ik de lettertjes over de tafel kon schieten dan met de woorden zelf.
Ik kan je verzekeren dat ik de school in dat eerste jaar in ieder geval flink op kosten heb gejaagd. Met kroontjespennen, verdwenen klinkers en drijvende schapen.
Ontdek meer van Mijn leven in zijpaden
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.