Hoe je wordt wie je bent als het leven je van jongs af aan in de verdediging duwt
Ik heb geleerd dat ik mijn hand tot een vuist moest kunnen ballen voor ik goed en wel kon lopen.
Niet letterlijk, natuurlijk. Een baby ligt doorgaans niet in een bedje met gebalde vuistjes. Gebalde vuistjes drukken spanning uit. Je schrap zetten voor wat is, of spanning voor wat komt. Gebalde vuistjes wil je als moeder juist voorkomen. Het is een natuurlijke reflex, en je wilt dat je baby ontspannen is en happy.
Die luxe had ik niet. Nadat ik mijn eerste teug zuurstof had ingeademd, lag ik in een bedje op een kamer met een biologische moeder die mij letterlijk haar rug toekeerde. Ze wilde me niet zien, niet horen. Maar ik liet me natuurlijk wél horen. Baby’s willen de nabijheid van hun moeder voelen, en als ze die niet voelen, gaan ze huilen, dat is de enige mogelijkheid die ze hebben om letterlijk te laten horen dat er iets niet in orde is.
Dat ze troost nodig hebben, nabijheid van hun moeder.
Helaas was dat In mijn geval tegen dovemansoren gericht. De eerste drie dagen van mijn leven werd ik letterlijk genegeerd door de persoon die me had moeten laten voelen dat ik veilig, geliefd en welkom was.
Dus ik kan wel zeggen dat ik met gebalde vuistjes geboren ben. Ik leerde vanaf dag één dat er niemand was om me te troosten. Iemand die me op haar borst legde en tegen me praatte.
Ook al had ik op dat moment natuurlijk geen idee van de impact die het zou hebben, van de rode draad die het zou vormen door de rest van mijn leven. Want een lichaam onthoudt het, hoe klein dat lichaampje ook is.
Het zet de toon voor de rest van je leven.
Na 3 dagen verhuisde ik naar Den Haag omdat ik werd geadopteerd, opgenomen in een gezin waar ik meer dan welkom was. Mijn moeder, want dat was vanaf de derde dag mijn moeder voor mij kon zelf geen kinderen krijgen door een medische oorzaak.
Deze mensen, die voor mij papa en mama werden na die drie dagen waren geen perfecte ouders. Perfecte ouders bestaan niet, ben ik later zelf als moeder achtergekomen.
Wel ouders die handelen op basis van de informatie die ze op dat moment hebben en altijd omdat ze zielsveel van hun kind(eren) houden.
Er werden me verhalen verteld over hoe ik in de box lag, spelend met mijn rammelaars in het zonnetje voor het raam. Mijn moeder ernaast die me lepeltjes koffie voerde en gelukzalig naar buiten keek naar de bedrijvigheid op straat. Lange wandelingen in de kinderwagen, helemaal naar Scheveningen.
Voor zover ik weet kwam ik niets tekort: aandacht, liefde en zorg. Ik was een tevreden baby. En ik werd vreselijk verwend als enig kind en kleinkind.
Sinterklaas en verjaardagen waren dagen waarop ik vreselijk verwend werd, door mijn ouders én door mijn opa’s en oma’s. Ik had een kamer met speelgoed die leek op het magazijn van een speelgoedwinkel. Barbies, spelletjes, poppen, autootjes, een garage – alles wat mijn hartje begeerde. Ik was letterlijk verwend tot in de afgrond. Dat vond ik niet erg uiteraard als kind maar of het opvoedkundig het beste is, dat heb ik later weleens ter discussie gesteld. Maar nogmaals, hun intenties waren goed, ze hielden van me.
En toch, al die liefde, al dat speelgoed, al die warmte, het kon iets niet helemaal wegnemen.
De toon die in die eerste drie dagen was gezet, de echo was er nog. Zacht, bijna onhoorbaar, maar hij was er.
Die echo begon zich te manifesteren toen ik naar school ging. Je kent het misschien wel: het krijgt vorm onderaan je schoolrapport, in kleine lettertjes.
Susan is slim en leergierig, maar wel erg eigenwijs, ze luistert niet. Ze verzet zich tegen alles.
De gebalde vuistjes waren terug, iedere keer als ik het gevoel had ergens tegen te moeten vechten.
De eerste bewuste gebeurtenis die mijn gebalde vuisten naar buiten bracht, was tijdens de scheiding van mijn ouders. Ik was negen. Ik zal er niet te veel over zeggen, maar het was een real life soap, met mij als kind tussen de hoofdrolspelers, mijn ouders. Mijn ouders, die over mijn hoofd heen naar elkaar schreeuwden, elkaar pijn deden – niet fysiek, maar emotioneel, en ik, een meisje van negen, werd gemangeld temidden van al dat geweld.
Ik, die als negenjarige haar vader op een voetstuk had staan, werd volledig uit zijn leven gebannen na de scheiding. Ik zag of sprak hem zeker drie jaar niet meer.
Weg veilige landing. Weg onvoorwaardelijke liefde. Alles wat ik tot op dat moment kende, werd me afgenomen, inclusief mijn speelgoed, dat na de scheiding letterlijk werd weggegooid door mijn vader en zijn nieuwe vrouw. Er was voor mij geen plek meer in zijn nieuwe leven. Het was alsof ik nooit had bestaan.
En die emotionele pijn zette zich vast in mijn gebalde vuisten. Ik was boos, en onverzettelijk.
Niemand had het recht mij nóg een keer zo diep te raken. Weer zo af te wijzen, net als mijn biologische moeder had gedaan. Ook mijn vader niet.
Maar het leven gaat door. Mijn moeder hertrouwde toen ik twaalf was. Met een man die mijn gebalde vuisten al naar buiten bracht voordat er überhaupt sprake was van een huwelijk. Alles in mij schreeuwde dat deze man slecht nieuws was. Maar uiteraard werd dat weg gerationaliseerd: “ik was jaloers, ik wilde mijn moeder niet delen met een nieuwe man.”
Alsof ik een lastig ding was dat je maar beter in de bezemkast kon parkeren.
Er werd geen rekening gehouden met mijn gevoel, mijn veiligheid, mijn recht als kind op een plek in een liefdevol gezin.
Het huwelijk had serieuze gevolgen. Hij “leerde” me dat de plek waar je hoort te schuilen, de plek kan zijn waar je op je hoede moet zijn. Wat er precies gebeurde, doet er wel toe maar ga ik niet uitgebreid op in.
Wat het vormde wél: een kind dat leerde de deur in de gaten te houden, de stemming in de kamer te lezen, altijd klaar te staan. Om te vechten of te vluchten.
Een kind dat zich schrap zette op een leeftijd waarop andere kinderen leerden zorgeloos fietsen onder de zon, zonder handen aan het stuur.
Parallel aan deze jaren liep mijn opvoeding binnen het geloof van Jehovah’s Getuigen, Ik werd daarin groot gebracht door mijn moeder. Een gesloten gemeenschap met strenge sociale controle en meedogenloze “religieuze” regels. Je mocht niets, maar moest vooral heel veel. En een tijd lang geloofde ik dat ook dat ik zo moest leven.
Tot ik zag dat de regels golden voor mij, maar niet voor hen die ze aan ons dicteerden.
Rules for thee but not for me. Ik stelde altijd vragen en vragen zijn gevaarlijk in een leefwereld die op gehoorzaamheid draait.
En toen ik niet ophield met vragen, werd ik “verwijderd” uit de gemeenschap, ‘shunned’ zoals dat heet.
Ik betaalde de prijs die zulke werelden op eerlijkheid zetten: ze deden de deur achter me dicht.
Ik woonde natuurlijk nog thuis en weer werd ik genegeerd, in mijn eigen veilige thuis notabene.
Letterlijk, door iedereen die bij ons over de vloer kwam.
Ik werd niet begroet en als ze bij ons aan tafel zaten om mee te eten werd ik doodgezwegen.
De enige die nog tegen me mocht praten was mijn moeder. Zo waren/zijn de regels.
Mijn eigen moeder bleef desondanks dit verraad aan haar eigen dochter toch Jehovah’s Getuige, en jaren later liet ook zij mij ook vallen als een baksteen, ik was inmiddels 51 jaar oud. En niet alleen mij ook haar kleinkinderen liet ze vallen. Als gevolg van haar religieuze overtuiging.
Ze heeft nooit meer gereageerd op mijn contactpogingen.
Twaalf jaar stilte, en die stilte duurt tot op de dag van vandaag.
Zie je het patroon? Steeds hetzelfde. Steeds werd afgewezen, steeds opnieuw leerde ik: reken op niemand, ga zelf staan, zet je schrap, bal je vuisten
Zelfs nu nog. Nog niet zo lang geleden zat ik tegenover een arts die weigerde mijn voorgeschiedenis mee te wegen, die me vertelde dat ik “niet op zijn stoel moest gaan zitten” toen ik vragen stelde over mijn eigen lijf. En weet je wat ik voelde? Geen paniek. Geen tranen. Ik voelde mijn gebalde vuisten. Oude reflex. Vertrouwde reflex. Wijs me niet af, kom maar op!
Ondanks dat het een destructieve reflex kan worden kan ik wel zeggen dat deze reflex me heeft geholpen overeind te blijven tijdens mijn leven. Laat daar geen misverstand over bestaan.
Die weerbaarheid heeft me overeind gehouden door dingen die anderen niet overleven zonder eronder te bezwijken. Opgeven staat niet in mijn woordenboek, en dat is geen toeval, dat is aangeleerd, met bloed, zweet en tranen. De vuist is geen zwakte. De vuist was mijn kracht. Vaak de enige die ik had. En daarmee mijn sterkste maar ook mijn meest zwakke punt. Want op één reflex kan je niet overleven, net als dat je op één been niet echt makkelijk kan lopen. De balans is weg.
Die gebalde vuisten, daar betaalde ik ook een prijs voor. En die prijs heb ik pas later leren zien.
Want een vuist die altijd gebald is, kan niets vasthouden. Kan niet gevangen worden. Kan niet rusten. Kan niet de uitgestoken hand van de ander vastpakken.
Een lijf wat een leven lang in de verdedigingsmodus staat, vergeet op den duur hoe het anders moet, hoe het moet ontspannen. Je bent zo goed geworden in jezelf beschermen op die manier, dat je nauwelijks meer kunt ontvangen. Iemand die je iets goeds wil geven, stuit op een gebalde vuist. Niet bewust, niet uit onwil, uit niet anders weten hoe te zijn. Het is een tweede natuur geworden.
En dat is wat ik nu, op mijn 63ste pas echt begin te begrijpen. Niet rationeel, dat wist ik al veel langer. Maar ook fysiek, in mijn hele lijf. De rekening is inmiddels gepresenteerd.
Dat de wereld me leerde mijn vuisten te ballen, betekent niet dat ik ze voor altijd gebald hoef te houden.
Dat de verdediging me redde, betekent niet dat ik er nog steeds zo in hoef te staan.
De dreiging die die reflex ooit nodig maakte, is er niet meer. De reflex is een niet meer noodzakelijk overblijfsel uit het verleden.
Ik oefen nu, heel voorzichtig, en zeker niet altijd met succes met mijn hand openen. Toelaten dat iemand iets vasthoudt van wat ik al die jaren alleen droeg. Ervaren dat de wereld niet altijd een dreun uitdeelt zodra je je dekking een beetje laat zakken.
Gebalde vuisten, het heeft me veel gegeven maar ook veel gekost en dat begrijp ik nu.
Nu werken aan een gezonde houding, met dekking wanneer nodig en ontspanning waar het kan.
Soms merk ik mijn hand zich nog ballen voor ik het doorheb.
Dan adem ik uit, en probeer ik hem weer te openen.
Ontdek meer van Mijn leven in zijpaden
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.