Een auto zonder remmen

Niet omdat de dwarsligger altijd gelijk heeft. Maar omdat je hem nodig hebt

In de jaren zeventig ontdekte de luchtvaart iets ongemakkelijks. Er stortten vliegtuigen neer die niet hadden hoeven neerstorten. De techniek deugde. Het weer deugde. Wat er misging, zat in de cockpit zelf: de copiloot zág de fout van zijn gezagvoerder, en zei niets.

Niet uit domheid, maar als gevolg van rangorde. De kapitein was hoger in rang, je sprak hem niet tegen. Dus de copiloot zweeg, en het toestel vloog door. Soms met catastrofale gevolgen.

Het antwoord was even simpel als radicaal: de laagste in rang mág de hoogste niet alleen tegenspreken, hij móét het doen. Zwijgen is geen optie meer, ook al is de ander je meerdere. Sterker nog: juist dán. Niet omdat die copiloot vaker gelijk heeft – dat heeft hij juist niet, hij is minder ervaren. Maar omdat een cockpit zonder tegenspraak zijn eigen fouten niet meer kan vinden. Inmiddels wordt dit principe niet alleen in de luchtvaart toegepast, maar ook in ziekenhuizen en in het bedrijfsleven. Want een fout die niemand mag benoemen blijft gewoon (be)staan. En dat leidt nooit tot betere resultaten.

Onthoud die zin. Daar gaat dit stuk over.

Het is niet: de dwarsligger heeft altijd gelijk. Maar een systeem dat geen tegenspraak verdraagt, verliest het enige instrument waarmee het zichzelf kan corrigeren. Het dendert door. En dat is precies wat ik om me heen zie gebeuren.

Want die cockpit is niet alleen een cockpit, het is een metafoor geworden voor hoe we met elkaar praten.

We praten over corona (nog steeds), over oorlogen, over een misdaad die het nieuws haalt of over immigratie. Er ligt vrijwel altijd een verhaal klaar – hét verhaal – en van jou wordt verwacht dat je het klakkeloos overneemt. Niet dat je het onderzoekt. Niet dat je vraagt “hoe kom je daarbij”. En zeker niet dat je zegt “nou, ik weet het nog zo net niet”.

Doe je dat toch, dan gebeurt er iets merkwaardigs. Je krijgt geen weerwoord op de inhoud. Je krijgt een etiket. Complotdenker. Wappie. Naïef. Gevaarlijk. Het gesprek is niet verloren – het is nooit begonnen. Een respectvol gesprek wordt direct platgeslagen.

En hier moet ik eerlijk zijn, want anders klopt mijn eigen redenering niet. Ik schrijf dit stuk gewoon, en er staat geen agent voor mijn deur. Ik word niet opgesloten, en ik kan dit schrijven zonder gevolgen. Tenminste, daar ga ik nog van uit.

Dat is nog steeds anders dan in veel andere landen. En niet eens zo ver weg. In het Verenigd Koninkrijk zijn mensen vervolgd voor wat ze online schreven, op grond van wetten die uitingen strafbaar stellen die “grossly offensive” zijn, of die aanzetten tot haat.

En daar wringt het. Want wie bepaalt wat “grossly offensive” is? Wie trekt die grens? Een wet die zulke rekbare woorden gebruikt, geeft degene die hem toepast een enorme ruimte. Vandaag valt jouw mening er misschien buiten, maar morgen misschien niet meer.

Ik zeg niet dat er nooit een grens mag zijn. Maar als je de grens zo vaag maakt dat niemand meer weet waar hij loopt, dan zwijgen mensen voor de zekerheid. En dat is precies wat je niet wilt.

Maar dáár zit het niet. Het zit hier: je mág alles zeggen. Alleen kost het je tegenwoordig vaak te veel. Niet juridisch, maar sociaal. Je uitnodiging. Je podium. Je zaal. Ik zie het bij cabaretiers die er over één onderwerp anders over denken dan verwacht, en die opeens ontdekken dat hun tour “om organisatorische redenen” niet doorgaat. Ik zie het bij mensen die op hun werk of online hun mond houden over zaken waar ze thuis wél een mening over hebben als ze met hun partner praten.

En die stilte heeft veel meer gevolgen dan een wettelijk verbod. Want die stilte is zelfopgelegd. Je hoeft niemand te verbieden te spreken als je de prijs maar hoog genoeg maakt. De rest doen mensen zelf. Bizar mechanisme.

Neem iets alledaags. Stel, ik vind dat er in mijn stad wel érg veel regenboogfietspaden en -bankjes liggen. Ik vind ze lelijk, of ik vind het zonde van het geld, of ik vind gewoon dat de gemeente het geld beter kan besteden. En stel dat ik dat hardop zeg.

Is dat haatzaaien?

Juridisch: nee. Kritiek op gemeentebeleid is geen haatzaaien, ook niet als dat beleid over een symbool gaat. De wet stelt het aanzetten tot haat of geweld tegen mensen strafbaar – niet het hebben van een mening over de kleur van fietspaden en bankjes en waar ze voor staan. Geen agent aan de deur dus. Althans, nog niet tot op de dag van vandaag.

Maar dat is niet de vraag die me bezighoudt. De vraag die steeds meer mensen bezighoudt is: wat kóst het me?

Want ik weet het antwoord al. Ik krijg geen weerwoord over dat fietspad. Ik krijg een etiket. Ik mag het oneens zijn met iets wat de overheid vindt, maar ik word direct gelabeld als links, rechts, communist, socialist, wappie, fascist, racist en ga zo maar door. En zodra dat etiket op mijn voorhoofd geplakt is, hoeft niemand meer met me te praten. De discussie is niet gewonnen of verloren. Hij is platgeslagen. Einde verhaal.

En dat wordt nog ongemakkelijker zodra het over een geloofsovertuiging gaat.

Ik geloof. Ik heb daar niet altijd zo in gestaan – veertig jaar lang wilde ik er niets meer van weten, en dat had goede redenen. Maar ik ben er, langs een weg die ik niet had voorzien, toch weer uitgekomen. Dat is mijn overtuiging. Ik draag hem niet aan iemand op. Ik bekeer niemand. Want mijn Schepper heeft mij het vermogen gegeven om zelf te mogen kiezen. Zeg maar eens dat het niet zo is. Adam en Eva hadden in Eden de keuze: trouw zijn aan hun Schepper, of zich van hem afkeren. De rest is historie.

Ik schaam me nergens voor. Maar ik weet precies wat er gebeurt als ik het zeg. Je wordt niet tegengesproken. Je wordt weggezet. Naïef. Iemand waar ze “de kriebels van krijgen” of iemand die in een sprookjesboek gelooft. Iemand die vooral niet te veel mag spreken over zijn relatie met God, want de ander lijkt te bepalen wanneer jij een geloofsfanaat bent.

En daar zit een merkwaardige asymmetrie in. Want als je zegt dat je gelooft, ben je een risico. Zeg je dat geloven volledig vrij interpreteerbaar is – doe het zoals je het wilt joh – dan ben je verlicht en hoor je er helemaal bij. En ja dat mag als jij denkt dat het jouw weg is, maar vrijheid van keuze is geen vrijstelling van de consequenties van die keuze. En dat gaat op voor ieder vlak in je leven. Als jij je vinger in een vlam houdt, ondanks dat je gewaarschuwd bent, dan mag je dat gewoon doen. Maar dan is pijn en een blaar de consequentie van je keuze.

Ik vind trouwens dat het allebéí moet kunnen. Het moet beide kanten op gaan. Iemand die zegt dat mijn geloof kolder is, mag dat zeggen, op dit vlak kun je mij niet beledigen. Want ook ik heb geen recht op een wereld waarin niemand mij tegenspreekt – dat is precies het punt van dit hele stuk. Maar ik heb wél het recht om te zeggen wat ik geloof.

Niet alles wat “cancellen” heet, is cancellen. Als een publiek besluit dat het niet meer naar je wil luisteren, is dat gewoon een publiek dat wegloopt – en dat mag. Vrijheid van meningsuiting is geen recht op applaus. Je mag een zaal boeken, maar die is dan misschien leeg. Ik hoef niet naar jou te luisteren, en jij niet naar mij. Dat is geen onderdrukking. Dat is een keuze, en die heeft iedereen.

Het verschil zit hem in dít: loopt er iemand weg, of wordt er iemand wéggewerkt? Kiest het publiek zelf, of wordt er campagne gevoerd om te zorgen dat het niet meer mág kiezen? Dat is de grens. En hij is er wel degelijk, ook al is hij soms lastig te trekken.

En er is nog iets, en dat is misschien wel het lastigste van alles. Datzelfde mechanisme dat ik hierboven beschrijf – het geldt óók voor de kant die zich kritisch noemt. Ook daar heb je tribes. Ook daar heb je verhalen die je maar beter niet kunt bevragen. Ook daar krijg je een etiket als je afwijkt: je bent “ingepakt”, of “je snapt het niet”, en mijn favoriet: “Wake the f** up”. Ik moet er altijd om glimlachen.

Wie zich dwarsligger noemt en vervolgens alleen nog maar met andere dwarsliggers praat, heeft geen tegenspraak georganiseerd. Die heeft alleen een nieuwe cockpit gebouwd maar nu in de vorm van een echoput.

Dat is wat ik iedereen zou willen meegeven die nu denkt: mooi zo, die kant heeft het verdiend. Nee. Het gaat niet om welke kant er wordt gesnoerd. Het gaat om het snoeren zelf. Daar zit het probleem. In de gevolgen van het snoeren.

De test van een gezonde samenleving is niet: mag ik zeggen wat ik denk? Maar: kan ik verdrágen dat iemand mij tegenspreekt?

En dáár zit het venijn. Niet in de wet. In wat er gebeurt vóórdat de wet er ook maar aan te pas komt.

Want te veel mensen houden tegenwoordig gewoon hun mond. Niet omdat het moet, maar omdat ze de sociale rekening direct gepresenteerd krijgen, inclusief btw. En dus zeggen ze het niet. Niet op de verjaardag, niet op hun werk, niet tegen hun familie en niet op internet. Ze denken het, en ze slikken het in. Want de sociale rekening is steeds vaker veel te hoog, de prijs stijgt zo snel dat de rekening onbetaalbaar is. Dat is geen censuur. Dat is erger. Censuur kun je aanwijzen. Dit doen we onszelf aan.

Simon en Garfunkel zongen het al in de jaren zestig, in The Sound of Silence: stilte groeit als een kanker. En de woorden van wie het wél probeert te zeggen, sterven weg in een put waar niemand ze hoort.

En zo verliest een samenleving, stukje bij beetje, precies datgene waarmee ze haar eigen fouten kon vinden en corrigeren. Niet met een verbod. Niet met een agent aan de deur. Maar met een prijskaartje dat we elkaar voorhouden tot we allemaal zwijgen, uit voorzorg.

De copiloot ziet de fout. En zegt niets.

Een samenleving zonder tegenspraak is een auto zonder remmen.


Ontdek meer van Mijn leven in zijpaden

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *