Over de blijdschap als het lukt, en het werk dat niemand ziet
Er is een moment dat ik nooit gewoon vind worden. Ik wil ook niet dat het ooit gewoon wordt. Het moment dat ik tegen iemand kan zeggen: het is gelukt.
De laatste maanden was het een aantal keer raak. Een zwembad- en speeltuinabonnement voor een gezin, zodat de kinderen deze zomervakantie ergens naartoe kunnen met hun ouders. Een paar nieuwe schoenen voor een jongetje dat rondliep met gaten in de zijne. En een half jaar luiers voor een moeder met een zeer onverwachte baby en bijna niets te besteden. Luiers werden rijkelijk uitgedeeld deze maanden: er was nog een gezin, tijdelijk zonder inkomen, met een baby van een jaar die graag rondloopt met droge billen. Ook dat hebben we kunnen regelen. En een fietsstoeltje, zodat een moeder met haar kleine op de fiets naar de voedselbank kan en zo minder afhankelijk wordt van hulp.
Het klinkt klein, hè. Een abonnement. Schoenen. Luiers. Een fietsstoeltje. Maar dat is het niet. Het zijn de kersen op de taart. De motor waarop ik loop.
Want dat is het rare aan dit werk. Wat op papier een bedragje is, is aan de andere kant van de lijn een zomer. Een kind dat niet meer de enige in de klas is die nergens heen gaat. Dat op school ook wat te vertellen heeft als de vriendjes allemaal op vakantie zijn geweest. Niet het gevoel hebben er niet bij te horen. Een moeder die ‘s nachts niet meer ligt te rekenen hoeveel luiers er nog in de kast liggen. En een jochie dat op voetbal kan blijven omdat hij nieuwe keepershandschoenen heeft.
Ze komen van echte mensen met gewone levens. Werk, rekeningen, verplichtingen. En toch ruimte over voor een ander.
Als ik een uitvraag plaats – op X, in mijn netwerk, waar dan ook – dan gebeurt er iets waar ik stil van word. Mensen die ik nooit heb ontmoet, maken geld over voor een kind dat ze nooit zullen zien. Ze weten niet hoe dat kind heet. Ze zullen nooit horen of het goed met hem gaat, of hooguit heel beperkt, omdat ik nu eenmaal geen persoonsgegevens kan delen. Ze vragen niet om een foto, niet om een bedankje, niet om bewijs. Ze vertrouwen mij.
En als ik er langer over nadenk, is dat eigenlijk het meest bijzondere van dit hele werk. Want wat die mensen doen, is niet zomaar geld overmaken. Ze geven iets veel kwetsbaarders weg: vertrouwen. Ze vertrouwen erop dat het verhaal klopt. Dat het geld terechtkomt waar ik zeg dat het terechtkomt. Dat er echt een kind is, en echt een paar schoenen, en dat ik niet ergens een mooi verhaal heb zitten verzinnen.
En dat in een tijd waarin vertrouwen zo ongeveer het schaarste goed is dat we nog hebben. Waarin mensen bedonderd worden door instanties die het beter zouden moeten weten. Waarin iedereen zijn portemonnee dichthoudt en dat ook nog eens goed kan beargumenteren – waar ik altijd begrip voor heb, want het leven is duur geworden. En in díe tijd zijn er toch altijd mensen die op die knop klikken om te doneren. Of het nou om één euro gaat of om tien euro of meer, ze doen het.
Ik neem dat niet licht op. Ik denk er elke keer aan als ik weer zo’n uitvraag zit te typen. Want dit is geen recht dat ik heb – het is iets wat ik telkens opnieuw krijg. Vertrouwen is geen abonnement dat doorloopt. Het is een keuze die iemand elke keer weer maakt, bij elk bericht.
En precies daarom ben ik zo zorgvuldig met wat ik vraag, en waarvoor, en hoe ik het opschrijf. Niet uit stijfheid. Uit dankbaarheid. Wie mij vertrouwt met een tientje voor een kind dat hij nooit zal zien, verdient dat ik daar zuinig op ben.
Dat is de eerste kleine overwinning, en die vergeet ik nooit te noemen: dat het nog steeds werkt. Dat er nog steeds mensen zijn die op zo’n bericht reageren. En dat ik, keer op keer, opnieuw een beroep op hen mag doen in een tijd waarin mensen begrijpelijkerwijs voorzichtiger zijn geworden. Ervaren dat er nog steeds mensen zijn die beseffen dat we er voor elkaar moeten zijn. Die naar de wereld kijken met compassie en een positief verschil willen maken – niet alleen in hun eigen leven, maar ook in dat van iemand die in minder gelukkige omstandigheden leeft. Samen. Het bestaat nog. En die mensen zijn voor mij kleine klompjes goud. Niet omdat ze geld geven, maar om hun levensinstelling. Hun compassie.
Maar er zit een keerzijde aan de medaille, en die wil ik ook eerlijk laten zien. Want tussen “er is een gezin dat schoenen nodig heeft” en “het is gelukt” zit een hele wereld.
Het begint met uitzoeken. Niet meteen zelf iets regelen, maar eerst kijken: is er een voorliggende voorziening? Is er een lokale organisatie, een fonds, een gemeentelijke regeling die dit hoort op te pakken? Want wij zijn noodhulp, geen vervanging van wat er al zou moeten zijn. Dus je zoekt. Je belt. Je mailt. Je krijgt geen antwoord, en je mailt nog een keer. Je zoekt tot je een ons weegt, voordat je het vraagt aan het netwerk van klompjes goud.
Dan komt het papierwerk. Wat is de situatie precies, wat is er al geprobeerd, waar loopt het vast, welke documenten zijn er nodig, klopt het beeld. Overleg met het bestuur, indien nodig. Afwegen wat verantwoord is, want elke euro die we uitgeven aan het ene gezin kunnen we niet uitgeven aan het volgende.
En dan de uitvraag. Schrijven, herschrijven, de juiste toon vinden – niet te dramatisch, niet te zakelijk, met respect voor de mensen om wie het gaat. Delen. Wachten. Nog een keer delen. En duimen dat het lukt. Hopen dat je kunt zeggen: het is gelukt. Want garanties vooraf zijn er niet als je vraagt, en de gunfactor moet er zijn om het beoogde bedrag binnen te krijgen.
Lange dagen zijn het. Mails die zich opstapelen, telefoontjes die je overdag niet gepleegd krijgt en dus ‘s avonds doet. Loketten die niet reageren, of zo traag zijn dat de baby drie is voordat het geregeld is, of het jochie maanden met blaren en natte voeten in de regen heeft gelopen. Regelingen die op papier bestaan en in de praktijk onvindbaar zijn. Niet overal, gelukkig, maar vaak genoeg. Maar er zijn ook ook plekken waar het wél snel gaat, en mensen die wél meteen schakelen.
Voor één paar schoenen. Voor een paar pakken luiers. Voor een pakketje verzorgingsproducten voor een baby.
En dan gaat de telefoon, of komt er een berichtje, en zegt iemand dank je wel. En is het klaar. En is het goed. Het hoeft geen knieval van dankbaarheid te zijn, ik hoef niet te horen hoe geweldig ik ben. Ik wil dat ze zich bewust zijn van al die mensen die hén geholpen hebben – hoe geweldig díe zijn. De uren die ik erin steek, wat zeg ik, de dagen die ik erin steek, dat doe ik vrijwillig.
Dat is wat mensen niet zien als ze zo’n bericht voorbij zien komen. Niet het werk – dat hoeft ook niet, daar zijn wij voor. Maar wel dat het geen automatisme is. Dat achter elk pakket, elk abonnement, elk paar schoenen iemand heeft zitten bellen, zoeken, aandringen en wachten.
En toch…..
Ik doe het elke keer weer. Want die kleine overwinningen zijn niet klein. Ze zijn alleen klein aan de buitenkant. Ze betekenen heel veel voor de ontvanger, en ook voor mij. Want dan is er die realisatie dat al die uren en die energie niet voor niets zijn geweest.
Van binnen zijn ze een zomer lang zwemmen. Schoenen zonder gaten. Een moeder die even niet hoeft te rekenen. Een ritje op de fiets in de zon, de wind door je haartjes, en een moeder die lacht. Die heel even een geluksmomentje heeft in plaats van kopzorgen. Voor de kleine, voor de moeder en voor m
Ontdek meer van Mijn leven in zijpaden
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.