Waarom een reflex afleren zoveel moeilijker is dan hem herkennen.
Er is een zin die ik mijn hele leven al hoor in mijn hoofd, als een echo uit een ver verleden die maar niet uit wil sterven. Zo vaak en zo automatisch, dat die echo onderdeel is geworden van iedere vezel in mijn lichaam. De zin: “Laat maar, ik doe het zelf wel.”
Het klinkt behulpzaam. Praktisch zelfs. Iemand aarzelt, iemand heeft het druk, iemand doet het net iets te langzaam of net iets anders dan ik in mijn hoofd had, en dan neem ik het over. Niet met een zucht, niet demonstratief.
Gewoon: ik doe het wel even.
Nou ja, eigenlijk niet gewoon. Want wat ik erbij voel is: hakken in het zand, klaar voor alles wat mijn kant op wordt gegooid. Een soort stil verzet dat zich uit in gedrag.
En hier is het lastige. Die zin is mijn sterkste kant. Hij was ooit noodzakelijk, een overlevingsmechanisme. Overeind blijven in welke storm er op dat moment ook gaande was. Ik heb vroeg geleerd dat er niet altijd iemand komt om het voor je op te lossen. Eigenlijk nooit, triest, maar waar.
Save yourself, because no one else will do it for you.
Naarmate ik ouder werd, werd die zin, die houding eigenlijk, even vaak ballast als kracht. Mijn kracht is dus ook mijn zwakte, zoals bij zoveel menselijke eigenschappen. Tegelijk. Het is niet zo dat ik een goede eigenschap heb en daarnaast een slechte. Het is één ding, met twee gezichten.
Ik geef niet op. Waar een ander denkt: dat lukt toch niet, denk ik: dat zullen we nog wel eens zien. Het is een wat gecompliceerde mix geworden van een aangeleerde eigenschap en karakter. Eigenwijs tot op het bot, ongeduldig, en een brein dat negentig sporen tegelijk actief kan hebben.
Dus laat me dit eerst gezegd hebben: ik ga niet doen alsof het een fout is. Het is de motor waarop mijn systeem loopt. Maar een motor die altijd aanstaat, slijt. En onderweg verzamelt die motor ook stof en vuil. Er komt stof tussen de radertjes, er begint iets te haperen en als je maar lang genoeg doorgaat zonder onderhoud, volgen de gevolgen vanzelf.
Het begon als noodzaak en werd een gewoonte. En op een dag was het een reflex, iets wat afgaat voordat mijn verstand erbij is. Ik weeg niet af of ik het zal overnemen. Mijn handen en vooral mijn hoofd zijn al bezig.
Nergens is dat duidelijker geworden dan bij de opvoeding van mijn kinderen. Geduld is niet mijn sterkste kant, laat ik daar eerlijk over zijn. En als je kind ergens mee worstelt, met een veter, een som, een formulier, dan is het zo verleidelijk om het even over te nemen. Het is sneller. Het geeft minder gedoe. En het scheelt een hoop tranen; de hunne en de mijne. Met vier kinderen was zo’n situatie altijd wel aan de orde.
Pas toen ze volwassen waren, drong het tot me door wat ik daarmee had gedaan. Ik had ze niet geholpen. Ik had ze leermomenten uit handen genomen. Elke keer dat ik het overnam, ontnam ik ze de kans om te ontdekken dat ze het zélf konden. Niet uit onwil, niet uit bemoeizucht. Uit ongeduld en uit liefde, en die twee zaten zo dicht bij elkaar dat ik het verschil niet zag.
Dat is een van de moeilijkste dingen om over jezelf te schrijven. Dat je met de beste bedoelingen iemand iets hebt afgenomen, en dan uitgerekend de mensen die ik het minste pijn wilde doen of schade wilde berokkenen. Het voordeel van ouder worden is wel dat je je eigen rol als ouder beter kunt bekijken. Eerlijker.
En het houdt niet op bij de kinderen. Als ik ruzie heb met iemand en die zijn of haar kont tegen de kribbe gooit, en zegt: “Stik maar”, dan wacht ik niet tot die persoon bijdraait. Dan doe ik het zelf. Al moet het kruipend, op handen en voeten.
Dat is het moment waarop je ziet dat het geen keuze is, maar een reflex. Want efficiënt is het niet. Verstandig al helemaal niet. Het is gewoon wat er gebeurt.
Naarmate ik ouder word, probeer ik dit aan te pakken bij mezelf. Sneller dingen benoemen. De verantwoordelijkheid laten bij degene bij wie die thuishoort. Niet overnemen. Ik vind het moeilijk, dat geef ik eerlijk toe. Niets is moeilijker dan een reflex afleren.
Ik bijt op mijn tong terwijl ik al tien antwoorden op de vraag heb bedacht. Ik houd mijn handen stil op momenten waarop ik al tien keer in actie had kunnen komen. Ondertussen besef ik dat dit een situatie is die ik zelf gecreëerd heb.
De ander pakt het signaal op, zegt dingen, doet pogingen om iets op te lossen, en ik ga op mijn handen zitten. Kijken wat er gebeurt. Moeilijk, want dat stemmetje in mijn hoofd zegt bijna dwingend: doe het maar zelf, want er komt niets van.
En dan? Wat gebeurt er dan met mij?
Dat is wat me misschien wel het meest angst aanjaagt. Een soort controle willen houden over de situatie, terwijl ik een groot deel van mijn leven overspoeld ben geweest met situaties waarover ik geen enkele controle had.
Dat realiseer ik me nu ineens, terwijl ik zit te schrijven.
En dan is er nog de variant die het lastigst is. Die waarbij je het wél hebt gevraagd.
Ik heb me uitgesproken, ben op mijn handen gaan zitten, heb me kwetsbaar opgesteld, de controle uit handen gegeven, precies wat ik zou moeten doen. En het levert niets op, of de uitkomst is niet wat ik ervan verwachtte.
Wat doe je dan?
Ik weet het antwoord.
Dan doe ik het zelf wel.
The cycle repeats itself.
En daarmee bevestig ik precies de situatie waar ik last van heb. Want zolang ik het doe, heb ik de controle en is er niets aan de hand. En zolang het toch wordt opgelost, hoeft niemand iets te veranderen. Win-win, zou je zeggen.
Maar ik houd het systeem in stand dat me uitput. Dat weet ik. En ik doe het toch. Dat is denk ik het wrangste eraan. Niet dat ik het niet zie. Ik zie het prima. Ik kan het uittekenen, ik kan het opschrijven, ik voel het in iedere vezel van mijn haperende lijf. Maar tussen zien en laten zit een afstand die veel groter is dan je zou denken.
Want een reflex is geen mening. Je kunt van mening veranderen. Een reflex zit in je handen, en die zijn al bezig voordat je hoofd heeft besloten.
De laatste twee jaar gaat het beter. Langzaam, met vallen en opstaan. Ik betrap mezelf er nu op. Soms zelfs vóórdat ik het heb gedaan, wat winst is. Ik kan een taak neerleggen en hem daar laten liggen bij wie hij hoort. Ik kan steeds beter op mijn handen gaan zitten en mijn hoofd onder een kussen verbergen, daar waar het stil is.
Het voelt nog steeds als falen, maar het lukt vaker dan vroeger. Ik kan een stilte laten vallen zonder hem meteen zelf op te vullen, naar de ander. Naar mezelf nog niet.
Ik oefen erop. Zoals je op alles kunt oefenen wat je jezelf ooit hebt aangeleerd omdat het toen nodig was. En je bent nooit te oud om te leren.
Ik ga het niet verloochenen en ik wil het niet kwijt, want dezelfde koppigheid die me te veel laat oppakken, is de koppigheid die maakt dat ik niet opgeef als iets moeilijk wordt. Alleen tegen een steeds hogere fysieke prijs.
Wie er gaat winnen, dat blijft een verrassing.
Mooie zin voor later, dacht ik: ze wilde altijd winnen, maar heeft uiteindelijk toch verloren. Cynisch, maar waar. Want aan alles komt een einde. Uiteindelijk ook aan aangeleerd gedrag. Maar ik ben vast begonnen, je weet tenslotte maar nooit hoeveel voorsprong me dat aan het einde van de rit geeft.
Laat maar gaan, denk ik bewust. Dit hoeft niet van mij te zijn.
En dan pak ik het toch op.
Want zo snel gaat dat niet.
Ontdek meer van Mijn leven in zijpaden
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
2 reacties