Wat ik zie als ik in die spiegel kijk is niet wie ik ben. Dat beeld is vertekend geweest vanaf de eerste dag van mijn leven, en misschien zelfs al daarvoor – in een buik waar ik veilig had moeten zijn, en waar werd geprobeerd voortijdig een einde aan mijn leven te maken. Wat niet gelukt is, uiteraard, anders was ik hier niet.
Het is niet iets wat ik kan bewijzen, en de meningen zullen erover verdeeld zijn, maar ik ben ervan overtuigd: ik kreeg al een heleboel mee voordat ik überhaupt geboren was. Ik hoorde haar hart kloppen. Ik hoorde haar harde stem, en ondanks dat ik nog geen taal kon verstaan, was de emotie in die klanken voor mij voldoende om te voelen dat ik allesbehalve welkom was. Het hart dat klopte, ging door. De kilte in haar stem ook. Ik begon met een achterstand voordat ik de wereld buiten die buik ooit gezien had.
Na negen maanden mocht ik die vijandige omgeving achter me laten. Ik werd geboren en na drie dagen geadopteerd. Ingepakt, opgepakt en verhuisd naar een andere stad. Ik kreeg ouders bij wie ik meer dan welkom was, na jarenlange kinderloosheid. Er zijn wat flarden van herinneringen aan de eerste jaren: een wandelwagentje, een stukje gekookte worst in mijn handje, en een rood jasje met een dubbele rij goudkleurige knoopjes. Mijn moeder die het wagentje door de straat duwde.
De straat waar ik woonde in Den Haag had geen bomen, alleen lange rijen grijze stoeptegels die naar het einde van de wereld leken te lopen – of op z’n minst naar de hoek. Het was mijn hele universum.
Een paar jaar later, ik was zes, stond ik voor ons huis bellen te blazen. Afwasmiddel, water, en een ijzeren ringetje dat regenbogen maakte. Boven verscheen mijn moeder in het raam.
“Kom je even naar boven?”
Haar stem klonk raar, het maakte me onrustig. Ik rende de twee trappen naar boven de woonkamer in. Mijn moeder zat op de bank, naast haar een onbekende vrouw. Mijn moeder huilde. Niet een beetje vochtig in de ogen — dit was tranen met snikken. Ik raakte er een soort van in paniek.
Ik klom op haar schoot en keek in haar betraande ogen. Ze keek me aan en zei: “Baby’s groeien in de buik van hun moeder. Maar jij groeide in de buik van een andere vrouw en daarna kwam je bij ons.”
Haar woorden vielen als knikkers op een stenen vloer: hard, koud, en onmogelijk om allemaal tegelijk op te rapen. Mijn zesjarige brein probeerde er chocola van te maken, maar ik begreep niets van wat ze werkelijk bedoelde, en binnen in mij schreeuwde een klein meisje om hulp. Help, mijn moeder is niet mijn moeder.
Ik rende de trap weer af en negeerde de schreeuw in mijn eigen hoofdje. Pakte mijn zeepfles weer op en keek omhoog naar ons raam op de derde etage. De zon weerkaatste er nog steeds in. De bellen die ik blies stegen nog steeds op in regenboogkleuren.
Maar ergens wist ik dat mijn leven net een zijpad had genomen.
Ontdek meer van Mijn leven in zijpaden
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.