Het volgende voetstuk

Over erkenning, zelfverloochening, en waarom je nooit onbevooroordeeld naar jezelf kunt kijken

Ik luisterde een podcast en mijn gedachten dwaalden af. Niet naar de podcast – naar een gesprek dat ik van de week met mijn dochter had. Ik vertelde haar iets wat ik pas achteraf goed zie: er was een tijd dat mensen van de andere kant van het land kwamen voor iets wat ik deed. Volle zalen, letterlijk. En dat deed iets met me.

Niet dat ik het erom deed. Ik wilde oprecht helpen met wat ik deed, dat meen ik nog steeds. Maar er zat een bijwerking aan die ik lang niet wilde zien. Mensen zetten je op een voetstuk, want wat je doet, met alle goede bedoelingen van dien, dat kan niet iedereen. En op dat voetstuk staat het prettig. Nu terugkijkend besef ik dat. Je krijgt erkenning, grenzend aan bewondering, die je ego een soort van opblaast. Niet dat ik arrogant was of zo, maar als mensen naar je kijken en tegen je doen alsof je iets heel bijzonders bent, dan is dat een lekker gevoel. Eerlijke observatie achteraf.

En nu, jaren later, twijfel ik aan mijn eigen gevoel van toen. Wilde ik helpen? Of wilde ik op dat voetstuk gehesen worden, en verkocht ik het aan mezelf als bescheidenheid – mijn intentie was goed, ik wilde toch helpen?

Ik wil daar eerlijk naar kijken. Niet om een oordeel over mezelf te vellen. Ik ben niet piep meer, maar je kunt tot je laatste dag iets verbeteren aan jezelf. Sterker nog, ik denk dat de optelsom van wie je bent alleen maar langer wordt naarmate je ouder wordt. En ongemerkt ook ingewikkelder.

Ja maar Suus, hoor ik iemand denken, iedereen is toch goed zoals hij is? Daar gaat het niet over. Het gaat niet over de ander. Het gaat over hoe ik naar mezelf kijk.

En daar liep ik meteen vast. Want hoe kijk je echt naar jezelf? Van buiten naar binnen? Dan rationaliseer ik, dan bouw ik een verhaal. Van binnen naar buiten? Dan gaat het weer om hoe de ander mij ervaart. Ik wil vanuit mezelf kijken, ergens middenin mezelf. Tot ik doorheb dat dat centrum niet bestaat. Want de ik die kijkt, is dezelfde ik die belang heeft bij de uitkomst. Er is geen schoon plekje binnenin waar ik even geen partij ben.

Dat is meteen de reden dat ik dit stuk geen nette landing kan geven. Het is de slang die in zijn eigen staart bijt. Een verhaal over een ik die zichzelf niet kan overzien, en dat dan toch eindigt met “en zo zit het dus”, liegt over zijn eigen begin.

Wat ik wél heb, is een anker. Daar ligt mijn focus. De woorden van de enige autoriteit die ik wil volgen, Jezus, en ik heb geen beter houvast dan zijn woorden. In Mattheüs 16:24 staat de radicale eis: wie mij wil volgen, moet zichzelf verloochenen. Niet zijn ego oppoetsen – loslaten. Dat klinkt zwaar, en ik denk na over wat zijn woorden voor mij betekenen. Want het is best een lastige. Hoe dan? Wat moet ik loslaten, en hoe doe ik dat?

Even denk ik dat het stom klinkt als ik het zo zeg. Want de opdracht is simpel, hij sprak niet in raadselen – waarom is het antwoord dan zo moeilijk voor mij? Maar het blijkt de oudste vraag te zijn die bij die tekst hoort. Ik neem het Griekse woord voor ‘verloochenen’ als ijkpunt. “Zichzelf verloochenen” is in het Grieks aparneomai heauton. Datzelfde woord komt een paar hoofdstukken verder in Mattheüs terug, op een heel bekende plek – als Petrus Jezus verloochent. “Ik ken die man niet.” Drie keer, voor de haan kraait. Leg je die twee naast elkaar, dan krijgt “zichzelf verloochenen” een concretere betekenis. Het betekent iets als: van jezelf zeggen wat Petrus van Jezus zei. Ik ken deze persoon niet als mijn ijkpunt. Zichzelf verloochenen is geen zelfhaat. Het is niet “ik ben niks”. Het is: ik ben niet langer het middelpunt waar alles naar terugbuigt.

En het addertje: je kunt dat niet loslaten met wilskracht. Want degene die de wilskracht levert, is precies het ding dat je wilt loslaten. “Kijk mij eens mijn ego overwinnen” is het ego dat zichzelf feliciteert. Het voetstuk verplaatst zich gewoon.

Ik denk dat ik weet welke kant het op gaat. Door wat ik doe, ervaar ik dat ik ertoe doe. En daar is niks mis mee. Dat je iets doet, prima. Dat je er erkenning voor krijgt ook – die krijg je trouwens niet zelf, die geeft de ander. Maar het kantelt op het moment dat je je waarde eraan gáát ontlenen. Dat je de bewondering nodig hebt om te weten dat je meetelt. Dan werk je niet meer voor de ander. Dan werk je voor de bevestiging, en is de ander het middel geworden.

Dat is wat losgelaten moet worden. Niet de erkenning zelf, en niet de zalen. Maar de plek waar ik mijn waarde ophang. Want ik ben niet de focus. Dat is de hele beweging.

En ja, ik zie de slang alweer naar haar eigen staart happen. Op het moment dat ik dit opschrijf en publiceer, kijkt er weer een zaal mee. Kleiner. Tien mensen die zich zelf hebben aangemeld. Maar toch. De vorm is verdwenen, de dynamiek niet. Ik concludeer: ik ben een work in progress.

Dus dit is geen stuk over hoe ik mijn ego overwin. Het is een stuk over wat er losgelaten moet worden, wat ik wil loslaten en waarom, terwijl ik weet dat ik mezelf er morgen weer op betrap. Dat morgen-weer hoort erbij. Anders wordt dit inzicht gewoon het volgende voetstuk.


Ontdek meer van Mijn leven in zijpaden

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *