Henk & Miep wonen in mijn hoofd 🐹

Oude overtuigingen, nieuwe bewijsregels en een hamster die te lang het laatste woord had

Ik dacht dat ik de afgelopen dagen vooral over de stichting aan het nadenken was. Dat bleek een misverstand. Nou ja misverstand, mijn vragen rondom mijn aanwezigheid in de stichting vormen zeker een onderdeel van het geheel. Maar toen ik die vragen ging stellen kwam er veel meer naar boven.
Met andere woorden: De stichting was alleen zo vriendelijk geweest om een deur open te zetten naar iets waar ik blijkbaar al een jaar of zestig omheen loop.

In mijn vorige stuk schreef ik over het verschil tussen werken vóór iets en uiteindelijk datgene wórden waarvoor je werkt. Over hoe mijn identiteit langzaam verstrengeld raakte met de stichting, en hoe ik niet meer alleen degene was die hulp organiseerde maar degene die moest zorgen dat alles bleef draaien. En ergens schreef ik deze zin: als ingrijpen niet alleen de ander helpt maar mij als helper ook grip, richting, betekenis en bestaansrecht geeft, wordt niet ingrijpen ineens veel moeilijker.

Daar bleef ik aan haken. Vooral aan dat ene woord: bestaansrecht. Want als ik mijn gevoel dat ik ertoe doe vooral haal uit wat ik oplos, wie mij nodig heeft en hoeveel ik bereid ben op mijn rug te dragen, dan heb ik een probleem. Dan kan ik namelijk wel stoppen met de stichting, maar het mechanisme verhuist gewoon mee, naar een ander project, een ander mens, een andere verantwoordelijkheid. Ik ken mezelf goed genoeg om te weten dat ik niet ineens drie dagen tevreden naar een geranium ga zitten kijken. Ik moet iets doen.

Dat is overigens ook gewoon een deel van mijn karakter, dat moet ik er wel bij vertellen. Daar is op zichzelf niets mis mee. Ik ben nieuwsgierig, ondernemend, oplossingsgericht, en ik vind het heerlijk om ergens in te duiken. Ik schrijf graag, ik zoek dingen uit, ik bouw, ik regel. Dat ben ik óók gewoon. Maar tijdens het nadenken kwam ik tot een onaangenaam onderscheid. Er zit verschil tussen “ik wil iets doen omdat ik leef” en “ik moet iets doen om te voelen dat mijn leven ertoe doet.” Oef, heftige conclusie.

Waar komt dat vandaan?

Als ik iets wil begrijpen, heb ik weinig aan “je moet gewoon wat liever voor jezelf zijn.” Daar krijgt mijn innerlijke hamster eczeem van. Ik wil weten hoe iets werkt. Dus ging ik terug naar de eerste herinnering waarin ik mezelf duidelijk zie in de rol van degene die moest handelen.

Ik was negen. Er waren grote problemen tussen mijn ouders; ik herinner me mijn moeder huilend in de woonkamer. Ik begreep waarschijnlijk lang niet alles van wat er tussen mijn ouders speelde, maar ik begreep dat zij verdriet had en dat mijn vader daar iets mee te maken had. Ik wilde maar één ding: dat haar verdriet ophield. Dus zei ik: “Kom mama, we gaan hier weg.” En dat deden we.

Niet veel later waren we bij mijn oma, en mijn vader was daar ook. Mijn moeder stond onder aan de trap, hij boven. Zij smeekte hem huilend terug te komen en zakte uiteindelijk door haar knieën. Mijn vader bleef koud, kil in mijn beleving. En ik trok mijn moeder overeind. Kom mam, hier word je alleen maar verdrietig van. En ik nam haar weer mee.

Niemand kwam daarna naar mij toe. Niemand zei: dit is tussen je vader en moeder, ik zorg voor mama, jij bent negen, dit is niet van jou. Die volwassene was er niet. En daarmee leerde ik iets, niet bewust natuurlijk, een kind van negen formuleert geen psychologisch beleidsdocument met voetnoten, maar ergens werd het opgeslagen: als iemand instort, moet ik blijven staan. En waarschijnlijk ook: als ik het niet doe, doet niemand het.

Handelen gaf grip. Dat woord past voor mij beter dan controle. Er gebeurde iets wat ik niet kon beheersen, maar zodra ik iets kon dóén kreeg ik weer vat op de situatie. En dat patroon is vervolgens niet bepaald met vervroegd pensioen gegaan.

Ik mocht er eigenlijk niet zijn

Er zat nog iets onder. Toen ik zes was vertelde mijn moeder me huilend dat ik “in de buik van iemand anders was gegroeid.” Zo werd adoptie mij uitgelegd. Ik weet nog dat ik daarna naar buiten ging om te spelen. Op zesjarige leeftijd kon ik natuurlijk niet bevatten wat die informatie precies betekende, maar op een of andere manier wist ik het wel: mijn wereld is veranderd. Niemand ving dat op.
Later kwamen de vragen. Over mijn afkomst, mijn biologische moeder, mijn verhaal.
Maar vragen stellen maakte mijn moeder verdrietig, en haar tranen maakten dat ik weer stopte, zelfs toen ik ouder was. Dus ontstond ook daar een regel: mijn behoefte kan een ander pijn doen.
En dan kan mijn behoefte dus beter even wachten.

Veel later hoorde ik dat mijn biologische moeder eerst had geprobeerd de zwangerschap te beëindigen. Dat zij tijdens haar zwangerschap tegen mensen vertelde dat ze een kind kreeg dat ze niet wilde.
Dat ze na mijn geboorte dagenlang met haar rug naar mij toe heeft gelegen en geen contact wilde, totdat ik werd opgehaald. Je kunt daar als volwassene allerlei context omheen zetten.
Maar het gevoel dat bij mij achterbleef was veel eenvoudiger: mijn bestaan was vanaf het begin ongewenst. Daar hoeft niemand een mooi therapeutisch strikje omheen te knopen. Ik kan niet in haar hoofd kijken en weet niet wat haar beweegredenen waren, maar dit gaat ook niet over haar. Dit gaat over mij en mijn beleving.

En toen kwam er nog een gebeurtenis. Ik was twaalf en had mijn vader ongeveer drie jaar niet gezien; hij was inmiddels hertrouwd en had nieuwe kinderen. Ik kwam hem tegen in de bioscoop. Ik was er samen met mijn nichtje. Disney’s Robin Hood, nota bene. Ik zag hem onmiddellijk, liep naar hem toe, tikte hem aan en zei: “Hé papa.” Mijn vader herkende mij niet. Zijn eigen dochter, niet herkend. Ouch, dat deed pijn kan ik je vertellen.

Ook dat heeft blijkbaar een conclusie achtergelaten die veel groter was dan ik ooit heb beseft: ik kan verdwijnen. Mensen kunnen verder, zonder mij. Er kunnen andere kinderen komen.
Ik kan blijkbaar zó ver uit iemands leven verdwijnen dat ik niet eens meer word herkend door mijn eigen vader.
En als dát ergens diep in je systeem zit, wordt nodig zijn ineens bijzonder aantrekkelijk. 
Want iemand die nodig is, verdwijnt niet zo gemakkelijk.

Als ik niet zeker weet of ik gewild ben, zorg ik dat ik nodig ben

Daar kwamen we uiteindelijk uit, en die zin deed pijn omdat hij klopte: als ik niet zeker weet of ik gewild ben, zorg ik dat ik nodig ben. Nodig zijn kun je namelijk verdienen. Gewild zijn niet.

Ik kan zorgen, problemen oplossen, formulieren invullen, financiën regelen, ziekenhuizen aflopen, instanties bellen, een gezin draaiende houden, een stichting opzetten, hulp organiseren, en ondertussen nog bedenken wat er volgende week mis zou kunnen gaan zodat ik dat alvast kan voorkomen. Dat kan ik. En zolang iemand mij nodig heeft, weet ik precies waar mijn plek is.

Maar gewild zijn? Daar heb ik geen controle over. Iemand moet uit zichzelf denken: ik wil jou zien. Niet omdat je iets kunt, niet omdat je iets moet oplossen, maar gewoon omdat je bent wie je bent. En daar blijkt bij mij een behoorlijk slecht functionerende ontvanger te zitten.

Een vriendin stuurde me onlangs een ontzettend liefdevol bericht naar aanleiding van een artikel dat ik had geschreven. Ze schreef dat ze me zag, dat ze van me hield, en dat ze hoopte dat ik eens door haar ogen naar mezelf kon kijken. Ik las het, ik wist dat ze het meende, en ik vond het ontzettend lief. En vervolgens gebeurde er emotioneel ongeveer niets. Het bericht werd keurig opgeborgen in de map Ontvangen vriendelijke boodschappen, einde procedure. Niet om onaardig te doen of omdat ik het niet waardeer, want dat doe ik wel zeker, maar omdat ik het niet toe kan laten het te voelen.

Dat bleek nogal veelzeggend. Want negatieve relationele informatie krijgt bij mij een totaal andere behandeling. Iemand komt niet op mijn verjaardag? Bewijsstuk. Iemand luistert niet? Bewijsstuk. Maar iemand zegt dat zij van me houdt? Wat lief van haar.

Mijn interne administratie hanteert blijkbaar al jaren een volstrekt corrupte bewijsstandaard: afwijzing is informatie over mij, liefde is informatie over hoe aardig de ander is. Ja. Oef. Daar valt niet tegenop te complimenteren.

En toen kwam Henk 🐹

Omdat dit gesprek anders bijzonder snel zou ontaarden in therapeutisch Kumbaya, en ik vermoed dat ik bij “omarm het kleine meisje in jezelf” binnen drie seconden via de nooduitgang vertrek, ontstond er een hamster. Henk 🐹. Ik ben tenslotte een beelddenker en het maakt het allemaal wat luchtiger, zodat ik er ook naar kan kijken met toch een lach op mijn gezicht. Ondanks dat het echt een serieus onderwerp is. Het duikt in de diepste krochten van mijn opgeslagen archief. Henk 🐹 is mijn archivaris.

Henk 🐹 is inmiddels Senior Archivaris Oude Overtuigingen, afdeling Paniek & Precedenten. Hij woont ergens in een stoffige kelder in mijn hoofd, met een leesbrilletje en dossiers. Heel veel dossiers. Afwijzingen, 1963 tot heden. Ze hebben ons toen ook laten zitten. Niet gewenst. Laat maar, ik doe het zelf wel. Allemaal artikelen waarover ik eerder schreef.

Henk 🐹 heeft één groot probleem: hij vindt dat oude jurisprudentie eeuwig geldig blijft. Er gebeurt vandaag iets, en voordat mijn volwassen brein goed en wel heeft vastgesteld wat er werkelijk aan de hand is, komt Henk op zijn rollatorloze beentjes de keldertrap op rennen: “ZIE JE WEL! PRECIES HETZELFDE ALS TOEN!”

Miep 🐹👓📎

En daarom hebben we inmiddels een nieuwe medewerker aangenomen. Miep, van de afdeling Tegenbewijs & Herziening. Henk vindt haar verschrikkelijk, wat voor haar pleit. Miep stelt namelijk één buitengewoon irritante vraag: volgt die conclusie eigenlijk wel uit het feit?

Henk 🐹: “Hij is er niet op mijn verjaardag! Susan is dus niet belangrijk!” Miep 🐹👓📎, brilletje naar beneden: “Correct, Henk, hij was er niet.
Vastgesteld is dat hij er niet was.
“Ontvangen, Henk. Teleurstelling terecht. Maar onvoldoende bewijs voor die conclusie”.

Daar kan ik wat mee. En niet omdat Miep 🐹👓📎 alles positief probeert te maken, zij zegt niet “ach, hij zal het te druk hebben gehad”.
Nee. Hij was er niet, dat vond ik jammer, punt.
Daar mag ik teleurgesteld over zijn, zelfs verdrietig over zijn.
Maar dat betekent niet dat ik niet belangrijk voor hem ben. Feit en identiteit uit elkaar houden. Dat wordt voorlopig de opdracht.

Mijn oude route

Want ik begin nu ook te herkennen hoe snel mijn systeem normaal gesproken werkt. Er gebeurt iets, en Henk 🐹geeft er onmiddellijk een oude betekenis aan. Daaronder zit vaak verdriet, teleurstelling of angst. Dan komt de bescherming: boosheid, verharden, afstand nemen. En daarna de impuls: laat maar, ik doe het zelf wel.
Dat levert iets op wat ik ontzettend goed ken: grip.
Want als ik niemand nodig heb, kan niemand mij teleurstellen.
Als ik het zelf oplos, hoef ik niet af te wachten.
Als ik mezelf onmisbaar maak, weet ik waar mijn plek is.
Als ik bezig ben, weet ik waarvoor ik er ben.

Geen probleem, geen taak. Geen taak, niemand die me nodig heeft. Geen duidelijke rol, het veroorzaakt onrust. Ik vind het bijna grotesk als ik het zo opschrijf, maar het klopt. Ik heb ooit serieus met mezelf afgesproken dat ik ‘s morgens na het opstaan eerst koffie zou drinken en vijf minuten niets zou doen. Vijf minuten. Niet te doen!. Kennelijk zat ik daar niet gewoon koffie te drinken, mijn systeem interpreteerde het ongeveer als GEEN FUNCTIE, CRISIS, en Henk 🐹 gilde vanuit de kelder: “ZOEK EEN REKENING! CONTROLEER EEN MAIL! DOE IETS!” En ik deed iets. Want doen geeft grip.

Het deksel op de pan

Iemand zei ooit tegen mij: bij sommige mensen kun je het deksel beter op de pan laten. Ik heb dat onthouden, en ik ga dat deksel ook niet nu ineens lostrekken.
Ik ben 63. Ik heb geen behoefte om iedere oude hamster uit zijn kooi te halen om te vragen wat hem precies in 1971 dwarszat. Sommige hamsters mogen met pensioen. Truus mag met haar rollator in het archief blijven. Kees, inmiddels licht dementerend, hoeft ook niet meer bij iedere bestuursvergadering te zijn. Maar ze mogen niet meer vanuit de kelder het stuur bedienen.

Want ik dacht jarenlang dat oude gebeurtenissen “geparkeerd” waren. Dat blijken ze niet te zijn. Ze stonden niet in hun vrij, ze stonden op de noodrem. Ik ben alleen ontzettend goed geworden in doorrijden.En dat kost ongelofelijk veel energie: rijden met de noodrem erop.

Dus wat nu?

Ik hoef mezelf niet opnieuw uit te vinden. En ik hoef al helemaal niet iedere ochtend voor de spiegel te gaan staan met “ik ben genoeg.”
Daar krijgt Henk uitslag van 🐹. Wat ik wel kan doen, is anders leren kijken naar wat er vandaag gebeurt. Daarvoor heb ik inmiddels mijn eigen protocol.
Als iets me raakt, stel ik mezelf zeven vragen:
wat gebeurde er feitelijk?
Wat zegt Henk 🐹 er onmiddellijk van?
Wat is mijn primaire gevoel?
Welke bescherming komt ervoor te liggen?
Wat is mijn impuls? Welke grip levert die reactie mij op?
En wat is de prijs als ik die oude route opnieuw neem?

En dan komt Miep 🐹👓📎 nog even langs met haar vraag: volgt die conclusie eigenlijk wel uit het feit?

Meer hoeft voorlopig niet. Ik hoef mijn gevoelens niet weg te rationaliseren. Teleurstelling mag teleurstelling zijn, verdriet mag pijn doen, boosheid mag soms gewoon boosheid zijn. Maar niet ieder pijnlijk moment hoeft automatisch bewijs te worden dat ik niet belangrijk ben, niet gewild ben, of gemakkelijk kan verdwijnen.
En positieve informatie mag voortaan trouwens óók in het dossier. Niet alleen “wat aardig dat zij dat zegt,” maar soms ook: misschien zegt het feit dat iemand mij vrijwillig ziet, zoekt of liefheeft óók iets over mijn plek in diens leven.
Voelt dat al zo? Nee. Maar het mag als bewijsstuk worden toegelaten.
Miep heeft het er maar druk mee. 🐹👓📎

Misschien is dát mijn echte stopperiode

Ik dacht dat deze maand vooral bedoeld was om afstand te nemen van de stichting.
Maar na negen dagen merk ik dat er iets anders gebeurt. Er komt vrolijkheid terug. Ik schrijf, ik luister naar muziek, ik herinner me dingen, ik denk na. Ik zoek nog steeds naar zingeving, uiteraard, want ik blijf wel mezelf.
Maar er komt ook ruimte voor emoties die ik jarenlang uitstekend wist te parkeren. Of, beter gezegd, op de noodrem wist te zetten.

En misschien hoef ik nu niet meteen een nieuw doel te zoeken.
Misschien mag ik eerst eens ontdekken wie degene is die hier sowieso al is, vóór iemand iets van haar nodig heeft. Die vraag raakt me. Ik weet het antwoord nog niet volledig. Maar ik begin haar wel te zien. En misschien is dat voor nu genoeg.

Niet omdat ik ineens geloof dat ik niets meer hoef te doen.
Ik zal altijd dingen willen maken, oplossen, onderzoeken en betekenen; dat hoort bij mij. Maar ik wil leren onderscheiden welke motor draait.
Doe ik dit omdat ik leef? Of doe ik dit omdat ik bang ben dat ik anders niemand ben?
Dat verschil kan uiteindelijk alles veranderen. De stichting misschien ook. Want als ik ermee doorga, wil ik haar niet opnieuw nodig hebben om te bewijzen dat ik besta. Ik wil betekenis kunnen geven zonder mijn betekenis ervan afhankelijk te maken.

En als Henk 🐹 daar bezwaar tegen heeft? Dan mag hij uiteraard een dossier indienen. Miep 🐹👓📎 behandelt het wel. Afgewezen als precedent.


Ontdek meer van Mijn leven in zijpaden

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

3 reacties

  1. Pittig hoor heel de dag zo aanstaan. Ik ben blij dat je Miep hebt aangenomen ik mag haar. Maar Henk Ffff kan je hem niet in een archief lade stoppen en niet meer opendoen . Dikke kuss van mij

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *