Dit artikel maakt deel uit van mijn onderzoek naar de eindtijd en de wederkomst. [Bekijk het volledige onderzoek →]
In Steen 3 volgden we Jezus’ woorden vanaf Mattheüs 24:15. We onderzochten daar de ‘gruwel van de verwoesting’, gingen terug naar Daniël en legden Mattheüs naast Lucas 21.
Daarbij werd één ding steeds moeilijker te negeren.
Jezus spreekt in dat gedeelte heel concreet over Judea, Jeruzalem, vlucht, legers, verwoesting, zwaard en gevangenschap. Lucas verbindt de parallelle waarschuwing expliciet met Jeruzalem dat door legers wordt omsingeld. En daarmee kwam een historische vervulling rond de verwoesting van Jeruzalem in de eerste eeuw nadrukkelijk in beeld.
Maar Jezus’ antwoord houdt daar niet op, want kort daarna spreekt Hij over de komst van de Zoon des mensen.
En daarmee komen we bij de vraag waarmee Steen 3 eindigde: Hoe loopt Jezus’ beschrijving van de verwoesting van Jeruzalem over in wat Hij daarna over Zijn komst zegt?
Ook nu wil ik niet beginnen met een schema waarin vooraf al vaststaat welke verzen over het jaar 70 gaan en welke over gebeurtenissen duizenden jaren later. Eerst eens kijken wat de Bijbel zegt.
Eerst nog een stukje dat we niet mogen overslaan
Voordat we bij de zon, maan en sterren van vers 29 komen, staan er nog enkele verzen tussen.
In Mattheüs 24:23–26 waarschuwt Jezus opnieuw. Er zullen valse christussen en valse profeten optreden en er zullen grote tekenen worden gedaan met als doel mensen te misleiden. Dat thema kennen we inmiddels.
Jezus begon Zijn antwoord in vers 4 met: ‘Pas op dat niemand u misleidt.’
En in vers 11 kwamen de valse profeten opnieuw terug.
En nu, vlak voordat Jezus over de komst van de Zoon des mensen spreekt, klinkt dezelfde waarschuwing opnieuw.
We lezen in de HSV:
Mattheüs 24:23: ‘Als iemand dan tegen u zegt: Zie, hier is de Christus of daar, geloof het niet;
Mattheüs 24:24: want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen grote tekenen en wonderen doen, zó dat zij, als het mogelijk zou zijn, ook de uitverkorenen zouden misleiden.’
Mattheüs 24:25: ‘Zie, Ik heb het u van tevoren gezegd!’
En Mattheüs 24:26: ‘Als men dan tegen u zal zeggen: Zie, Hij is in de woestijn; ga er niet opuit; zie, Hij is in de binnenkamers, geloof het niet’
Waarom moeten we dat niet geloven? Omdat Zijn komst volgens Jezus niet iets zal zijn waarvoor iemand je moet influisteren waar je moet kijken.
Het zal overduidelijk zijn!
Zoals de bliksem
In Mattheüs 24:27 van de HSV lezen we: ‘want zoals de bliksem vanuit het oosten komt en zichtbaar is tot in het westen, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn.’
In het Grieks: hōsper gar hē astrapē exerchetai apo anatolōn kai phainetai heōs dysmōn, houtōs estai hē parousia tou huiou tou anthrōpou.
Hier staat opnieuw het woord parousia.
Dat woord kwamen we al tegen in de vraag van de discipelen in Mattheüs 24:3: ti to sēmeion tēs sēs parousias: ‘wat is het teken van Uw komst?’
Jezus gebruikt in vers 27 dus hetzelfde woord als de discipelen aan het begin van het gesprek.
Jezus presenteert Zijn komst hier in ieder geval niet als iets lokaals waarvoor iemand moet vertellen waar Hij zich bevindt. Jezus zet Zijn parousia juist tegenover zulke verhalen.
Hij zegt: zoals bliksem aan de hemel zichtbaar is, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn.
Dat is niet onbelangrijk. Want, welke uitleg we straks ook aan de volgende verzen geven, een voorstelling van een volledig verborgen of geheime komst ligt op basis van deze woorden niet voor de hand.
‘Onmiddellijk na de verdrukking van die dagen’
Dan komen we bij Mattheüs 24:29: ‘En meteen na de verdrukking van die dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal zijn schijnsel niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen en de krachten van de hemelen zullen heftig bewogen worden.’
En hier staat een woord waar we niet snel overheen mogen lezen. In het Grieks begint de zin: eutheōs de meta tēn thlipsin tōn hēmerōn ekeinōn
Vrij letterlijk: ‘Onmiddellijk na de verdrukking van die dagen…’
Het woord eutheōs betekent onmiddellijk, direct of meteen.
En tōn hēmerōn ekeinōn betekent: ‘van die dagen’.
Jezus introduceert hier dus niet eenvoudig een nieuwe gebeurtenis met ‘ooit daarna’ of ‘in een latere tijd’.
Hij legt zelf een verbinding met wat eraan voorafgaat: onmiddellijk na de verdrukking van die dagen.
Dat maakt onze vraag uit Steen 3 scherper. In vers 21 sprak Jezus al over een grote verdrukking: thlipsis megalē, in het gedeelte waarin Hij mensen in Judea waarschuwt om te vluchten. En in vers 29 gebruikt Hij opnieuw het woord thlipsis en verwijst Hij naar ‘die dagen’.
Als we het voorafgaande gedeelte verbinden met de verwoesting van Jeruzalem, kunnen we daarom niet zonder uitleg zeggen dat vers 29 plotseling duizenden jaren verder springt.
Misschien gebeurt dat wel, maar dan moeten we uit de context wel kunnen distilleren waarom.
Anders zouden wij de tijdsprong zelf invoegen. Dat is niet de bedoeling uiteraard.
De zon wordt verduisterd
Daarna verandert de taal behoorlijk.
Jezus spreekt over: de zon die verduisterd wordt, de maan die haar licht niet geeft, sterren die uit de hemel vallen en de machten van de hemelen die worden bewogen.
We lezen in Mattheüs 24:29 van de HSV: ‘En meteen na de verdrukking van die dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal zijn schijnsel niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen en de krachten van de hemelen zullen heftig bewogen worden.’
Wie dat leest, denkt gemakkelijk aan letterlijk kosmisch geweld aan het einde van de wereld. Maar voordat we die conclusie trekken, moeten we opnieuw doen wat we in de eerdere stenen ook hebben gedaan: we kijken waar zulke taal in de Bijbel eerder voorkomt.
De profeten gebruiken dezelfde taal
In Jesaja 13 vinden we opvallend vergelijkbare beelden. Daar wordt gesproken over sterren die hun licht niet geven, een verduisterde zon, een maan die niet schijnt en hemelen die worden bewogen. Maar Jesaja begint met de mededeling dat dit een profetie over Babel is.
De kosmische taal wordt daar dus gebruikt binnen een aankondiging van Gods oordeel over een historisch rijk.
In Jesaja 34 gebeurt iets vergelijkbaars. Daar worden de hemelen beschreven alsof zij opgerold worden en hun sterren als bladeren naar beneden vallen. De context gaat over oordeel, en uiteindelijk wordt Edom expliciet genoemd.
En ook Joël gebruikt taal over een verduisterde zon en maan in verband met de dag van de HEERE.
Maar hieruit kunnen we nog niet concluderen dat de woorden van Jezus in Mattheüs 24:29 daarom uitsluitend symbolisch zijn. Dat zou te snel zijn.
Maar we kunnen wél iets anders vaststellen: In de profetische taal van het Oude Testament hoeft een verduisterde zon, vallende sterren of een geschudde hemel niet automatisch te betekenen dat het fysieke heelal letterlijk ophoudt te bestaan. Want dezelfde beelden worden ook gebruikt om ingrijpend goddelijk oordeel en de ondergang van machten en koninkrijken te beschrijven.
Daarom moeten we bij Mattheüs 24:29 beide mogelijkheden openhouden totdat de verdere tekst ons meer informatie geeft.
Dan verschijnt het teken van de Zoon des mensen
Mattheüs 24:30 begint vervolgens met: ‘En dan zal aan de hemel het teken van de Zoon des mensen verschijnen; en dan zullen al de stammen van de aarde rouw bedrijven en zij zullen de Zoon des mensen zien, als Hij op de wolken van de hemel komt met grote kracht en heerlijkheid.’
In het Grieks: kai tote phanēsetai to sēmeion tou huiou tou anthrōpou en ouranō
Opnieuw staat daar tote: ‘dan’.
De gebeurtenissen worden dus grammaticaal aan elkaar gekoppeld.
Daarna zegt Jezus dat de stammen van de aarde of het land zullen weeklagen en dat zij de Zoon des mensen zullen zien:
In het Grieks: erchomenon epi tōn nephelōn tou ouranou: ‘komend op de wolken van de hemel.’
Dat klinkt bekend. Niet omdat deze woorden alleen in Mattheüs voorkomen, maar omdat Jezus hier opnieuw teruggrijpt op een profetische tekst. We gaan terug naar Daniël.
Terug naar Daniël
In Daniël 7:13 lezen we in de HSV: ‘Ik keek toe in de nachtvisioenen, en zie, er kwam met de wolken van de hemel Iemand als een Mensenzoon. Hij kwam tot de Oude van dagen en men deed Hem voor Zijn aangezicht naderbij komen.’
Daniël 7:14 zegt: ‘Hem werd gegeven heerschappij, eer en koningschap, en alle volken, natiën en talen moesten Hem vereren. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die Hem niet ontnomen zal worden, en Zijn koningschap zal niet te gronde gaan.’
Daniël ziet dus iemand ‘als een Mensenzoon’ met de wolken van de hemel komen.
Maar er is een detail dat gemakkelijk wordt gemist. In Daniël komt deze Mensenzoon niet vanuit de hemel naar de aarde. Hij komt naar de Oude van dagen.
Hij wordt voor Hem gebracht en ontvangt vervolgens heerschappij, eer en koningschap.
Dat betekent niet automatisch dat Mattheüs 24:30 dus níét over de uiteindelijke wederkomst gaat.
Maar het betekent wel dat de woorden ‘komen op de wolken’ vanuit Daniël zelf meer kunnen uitdrukken dan alleen een fysieke afdaling uit de hemel.
De beeldtaal heeft ook te maken met koningschap, macht, oordeel en de rechtvaardiging van de Mensenzoon.
Dat wordt nog interessanter wanneer we kijken naar wat Jezus later in hetzelfde evangelie zegt.
Jezus gebruikt dezelfde taal opnieuw
Tijdens Zijn verhoor zegt Jezus tegen de hogepriester in Mattheüs 26:64 dat zij de Zoon des mensen zullen zien zitten aan de rechterhand van de Macht en zien komen op de wolken van de hemel.
We lezen Mattheüs 26:64: Jezus zei tegen hem: ‘U hebt het gezegd. Maar Ik zeg u: Van nu aan zult u de Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand van de kracht van God en zien komen op de wolken van de hemel.’ Ook daar klinkt Daniël 7 duidelijk door.
De wolken-taal hoort dus bij Jezus’ eigen manier om over Zijn gezag, verhoging en komst te spreken.
Maar daarmee hebben we Mattheüs 24:30 nog niet opgelost. Want vlak daarvoor heeft Jezus in vers 27 Zijn parousia beschreven als de bliksem. En direct erna gebeurt nog iets.
De uitverkorenen worden verzameld
In Mattheüs 24:31 van de HSV lezen we: ‘En Hij zal Zijn engelen uitzenden onder luid bazuingeschal, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenbrengen uit de vier windstreken, van het ene uiterste van de hemelen tot het andere uiterste ervan.’
In vers 31 stuurt de Zoon des mensen Zijn engelen uit met een grote bazuin en zij verzamelen Zijn uitverkorenen:
In het Grieks: ek tōn tessarōn anemōn, vertaald: ‘uit de vier windstreken’.
Ook deze taal heeft wortels in het Oude Testament.
In Deuteronomium 30 wordt gesproken over Gods volk dat verzameld wordt, zelfs wanneer het tot aan het einde van de hemel verstrooid zou zijn. En Jesaja 27 spreekt over een grote bazuin waarna verstrooiden worden verzameld.
Opnieuw gebruikt Jezus dus beelden die diep geworteld zijn in de profeten: bazuin, verzameling, vier windstreken, Gods uitverkorenen.
We moeten daarom oppassen met twee tegengestelde fouten: de eerste zou zijn om alles onmiddellijk letterlijk in een modern eindtijdschema te plaatsen en de tweede zou zijn om alles onmiddellijk tot ‘alleen maar beeldspraak’ te verklaren.
De tekst bevat echte gebeurtenissen én profetische beeldtaal. Aan ons de taak om uit te zoeken hoe die twee zich tot elkaar verhouden.
En Lucas?
Omdat Lucas ons in Steen 3 hielp om Mattheüs 24:15–22 beter te plaatsen, is het logisch hem hier opnieuw erbij te pakken. In Lucas 21:20–24 beschrijft hij Jeruzalem dat door legers wordt omsingeld, de vlucht, het zwaard, gevangenschap en de tijden van de heidenen.
Maar daar stopt hij niet. In vers 25–27 gaat hij verder met tekenen aan zon, maan en sterren, angst onder de volken en het wankelen van de machten van de hemel.
Daarna zegt ook Lucas dat men de Zoon des mensen zal zien komen in een wolk met grote kracht en heerlijkheid.
Mmm, de volgorde vertoont dus opnieuw sterke overeenkomst:
Jeruzalem en verwoesting
→ kosmische taal
→ komst van de Zoon des mensen.
Lucas zegt vervolgens tegen Jezus’ volgelingen dat wanneer deze dingen beginnen te gebeuren, zij hun hoofd moeten opheffen omdat hun verlossing nabij is.
Daarna volgt bij zowel Mattheüs als Lucas een gelijkenis over bomen.
De vijgenboom
Mattheüs 24:32-33: ‘Leer van de vijgenboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak al zacht wordt en de bladeren uitspruiten, dan weet u dat de zomer nabij is. (33) Zo ook u, wanneer u al deze dingen zult zien, weet dan dat het nabij is, voor de deur.’
Wanneer de tak van de vijgenboom zacht wordt en bladeren krijgt, weet je dat de zomer dichtbij is. Dan volgt de toepassing. In het Grieks: houtōs kai hymeis, hotan idēte panta tauta, ginōskete hoti engys estin epi thyrais.
Vrij letterlijk: ‘Zo ook jullie: wanneer jullie al deze dingen zien, weet dan dat het dichtbij is, voor de deur.’
Opnieuw staan er woorden die we inmiddels kennen.
hymeis: jullie.
idēte: jullie zien.
panta tauta: al deze dingen.
Jezus spreekt nog steeds tot dezelfde discipelen die Hem in vers 3 de vragen hebben gesteld.
En Hij zegt dat wanneer zij ‘al deze dingen’ zien, zij moeten weten dat het nabij is.
Maar dan volgt misschien wel de lastigste zin van het hele gedeelte.
‘Deze generatie zal niet voorbijgaan’
Mattheüs 24:34 luidt: ‘Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht zal zeker niet voorbijgaan, totdat al deze dingen gebeurd zijn.’
In het Grieks: amēn legō hymin hoti ou mē parelthē hē genea hautē heōs an panta tauta genētai.
Vrij letterlijk: ‘Voorwaar, Ik zeg jullie: deze generatie zal zeker niet voorbijgaan totdat al deze dingen gebeurd zijn.’
Het gewone betekenisbereik van genea is ‘generatie’ of ‘geslacht’; de context moet bepalen hoe het hier gebruikt wordt. Juist over deze zin bestaan verschillende uitleggingen. Sommigen verstaan ‘deze generatie’ als de generatie die in de toekomst de eindtijdtekens zal meemaken. Anderen hebben voorgesteld dat genea hier het Joodse volk of ras betekent. Weer anderen verstaan de woorden gewoon zoals ze elders in Mattheüs meestal functioneren: de generatie die leefde in Jezus’ eigen tijd.
Maar we hoeven daar niet op gevoel uit te kiezen. We kunnen kijken hoe Mattheüs dezelfde formulering op andere plekken gebruikt.
Nog geen hoofdstuk eerder
Dat levert iets op wat ik behoorlijk belangrijk vind.
In Mattheüs 23:36 zegt Jezus: ‘Voorwaar, Ik zeg u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht.’
In het Grieks: amēn legō hymin … epi tēn genean tautēn. Vertaald: ‘Voorwaar, Ik zeg u … over deze generatie.’
Daar zegt Jezus dat ‘al deze dingen’ over deze generatie zullen komen. En direct daarna volgt Zijn uitspraak over Jeruzalem, de mededeling dat hun huis woest wordt achtergelaten en vervolgens Mattheüs 24 met de aankondiging van de verwoesting van de tempel.
Nog geen hoofdstuk later zegt Hij opnieuw: ‘Voorwaar, Ik zeg jullie: deze generatie zal niet voorbijgaan totdat al deze dingen gebeurd zijn.’
Die overeenkomst is moeilijk te missen.
Mattheüs 23:
‘al deze dingen’
‘deze generatie’
Mattheüs 24:
‘al deze dingen’
‘deze generatie’
Dat bewijst op zichzelf nog niet hoe we ieder onderdeel van Mattheüs 24 moeten interpreteren.
Maar wanneer we willen stellen dat ‘deze generatie’ in 24:34 plotseling een generatie duizenden jaren in de toekomst betekent, moeten we daar wel een goede reden voor hebben.
De tekst zegt namelijk niet: ‘de generatie die deze dingen ooit zal zien’.
Er staat: ‘deze generatie’.
Dan hebben we een probleem, of in ieder geval een vraag
We hebben nu namelijk verschillende gegevens die tegelijk serieus genomen moeten worden.
Jezus koppelt Zijn woorden vanaf vers 15 sterk aan Judea en Jeruzalem.
In vers 29 zegt Hij ‘onmiddellijk na de verdrukking van die dagen’.
Hij gebruikt vervolgens profetische kosmische taal die in het Oude Testament ook bij historische oordelen voorkomt.
Hij spreekt over de Zoon des mensen die op de wolken komt, taal die rechtstreeks teruggaat op Daniël 7.
Hij spreekt óók over Zijn parousia, over engelen, een grote bazuin en het verzamelen van de uitverkorenen.
En vervolgens zegt Hij dat deze generatie niet voorbij zal gaan voordat ‘al deze dingen’ gebeurd zijn.
Dat past niet heel gemakkelijk in een simpel schema. Maar misschien is dat juist het punt waarop we moeten weigeren de tekst eenvoudiger te maken dan hij is. We kunnen kijken naar mogelijke oplossingen die worden voorgesteld binnen het Christendom.
Mogelijkheid 1: alles vanaf vers 29 ligt nog in onze toekomst
In een futuristische uitleg wordt de grote verdrukking uiteindelijk verbonden met een toekomstige eindtijd. Dan volgt de kosmische ontregeling letterlijk en verschijnt Christus zichtbaar bij Zijn wederkomst.
Het voordeel van deze uitleg is dat de parousia, de zichtbare komst, de engelen en het verzamelen van de uitverkorenen heel natuurlijk als wederkomsttaal gelezen kunnen worden.
Maar eerlijkheidshalve moet deze uitleg dan vervolgens verklaren waarom het voorafgaande gedeelte zo sterk aan Judea en Jeruzalem gekoppeld is en wat Jezus bedoelt met ‘onmiddellijk’ en ‘deze generatie’.
Mogelijkheid 2: vers 29–31 beschrijft oordeel en koninklijke rechtvaardiging rond Jeruzalem
Bij deze uitleg wordt de kosmische taal van de profetie gelezen zoals soortgelijke taal ook in Jesaja voorkomt: niet per se als een letterlijke beschrijving van gebeurtenissen aan de hemel, maar als beeldtaal voor Gods oordeel binnen de geschiedenis.
Het ‘komen op de wolken’ wordt dan vanuit Daniël 7 vooral verbonden met de verhoging en koninklijke rechtvaardiging van de Zoon des mensen.
Het voordeel daarvan is dat ‘onmiddellijk’, ‘die dagen’ en ‘deze generatie’ heel rechtstreeks kunnen worden gelezen.
Maar deze uitleg moet dan op haar beurt weer overtuigend verklaren hoe de parousia van vers 27, het zien van de Zoon des mensen en het verzamelen van de uitverkorenen in vers 31 binnen die historische vervulling passen.
Mogelijkheid 3: Jezus beschrijft gebeurtenissen die in elkaar grijpen
Er zijn ook uitleggingen waarin de verwoesting van Jeruzalem functioneert als historische voorafschaduwing van een uiteindelijke vervulling bij Christus’ wederkomst.
Dan heeft de profetie een nabije én verdere horizon.
Dat kan verklaren waarom taal over Jeruzalem en taal over de uiteindelijke komst zo dicht tegen elkaar aan staan.
Maar ook hier moeten we voorzichtig zijn.
Een dubbele vervulling mag geen ontsnappingsroute worden waarmee iedere moeilijke tijdsaanduiding eenvoudig kan worden omzeild. Als de tekst twee horizonten heeft, moeten we proberen te laten zien waar dat uit de tekst blijkt.
Waar staat de overgang dan?
En precies daar kom ik voorlopig uit.
Ik zie vóór Mattheüs 24:35 nog geen zin waarin Jezus expliciet zegt: ‘Wat Ik tot nu toe beschreef gebeurt binnenkort, maar wat Ik nu ga zeggen ligt duizenden jaren verder.’ Integendeel.
Tot en met vers 34 staan er juist allerlei verbindende woorden:
‘dan’
‘die dagen’
‘onmiddellijk daarna’
‘wanneer jullie dit zien’
‘al deze dingen’
‘deze generatie’.
Dat betekent niet dat we nu bewezen hebben dat alles tot en met vers 35 volledig in het jaar 70 is vervuld. Daarvoor blijven vooral vers 27 en 30–31 te zwaar wegen om even snel af te handelen. Maar het betekent wel dat een grote tijdsprong vóór vers 35 niet zomaar verondersteld mag worden.
En dan gebeurt er in vers 36 iets interessants.
‘Maar wat die dag en dat uur betreft…’
Mattheüs 24:36 luidt: ‘Maar die dag en dat uur is aan niemand bekend, ook aan de engelen in de hemel niet, maar alleen aan Mijn Vader.’
In het Grieks: peri de tēs hēmeras ekeinēs kai hōras… ‘Maar wat die dag en dat uur betreft…’
De combinatie peri de kan gebruikt worden wanneer een spreker een nieuw onderwerp of een nieuw aspect van een onderwerp aansnijdt.
Peri de bewijst op zichzelf niet dat Jezus nu over een totaal andere gebeurtenis begint.
Het kan ook een nieuw aspect van hetzelfde onderwerp introduceren.
De context moet dat uitwijzen. Toch is het contrast opmerkelijk.
Tot vers 35 zegt Jezus: wanneer jullie deze dingen zien, weet dan dat het dichtbij is.
En daarna zegt Hij: van die dag en dat uur weet niemand wanneer het zal zijn.
Misschien ligt juist hier een belangrijk scharnier in de rede.
Niet noodzakelijk tussen vers 22 en 23.
Niet noodzakelijk tussen vers 28 en 29.
Maar mogelijk “tussen ‘al deze dingen’ en ‘die dag en dat uur’.”
Daarmee zijn we dus nog niet klaar. Sterker nog: we hebben er een nieuwe vraag bij gekregen.
Als Mattheüs 24:36 inderdaad een overgang of verschuiving markeert, waarheen verschuift Jezus dan precies, en wat zegt Hij vanaf dat moment over Zijn komst?
Dat wordt Steen 5.
Ontdek meer van Mijn leven in zijpaden
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.